Nederrijnse Opbergtheorie

Col de Collage

Klimmen in de Lage Landen blijft pappen en nathouden. Geen enkele heuvel in Nederland is hoog, zwaar of lang genoeg om ook maar in de verte dienst te doen als zelfstandige training. Eigenlijk geldt dit fenomeen voor Holland in zijn algemeenheid. Want wat doe je met ontelbare reepjes land gescheiden door water? Die voeg je samen tot polder, bestuurd door een model van waterschappen dat inpoldert tegen hoogwater. Als je land kunt winnen uit moeras, moet het ook mogelijk zijn een berg te winnen uit glooiing. Maar hoe benader je zoiets nu in de praktijk?

Montem Batavorum

Een klassieke vraag is of het Oppidum Batavorum een enkele grote heuvelstad betrof, of verwees naar een ketting van kleine dorpen verspreid over de beschikbare hoogtes in het rivierengebied. Een kern op een heuvelrand succesvol vervangen door een rand van heuvelkernen, is een benadering van Randstadformaat. Kwestie van Bataafs verbinden. Nikè Terpstra als Principes Montem Batavorum? Hoewel een Batavus Nexus nooit een Colnago zal worden, zijn de principes van Bataafs schakelen nuttig bij het omvormen van meerdere heuvels tot de mythische berg Alpe du Hexe.

Zeven Upbergen

Eeuwenlange inspanning onder de noemer ‘Dat land komt er’ heeft slechts geleid tot tijdelijk land. Een polderstelsel dat bestaat bij de gratie van continue bemaling. Zo bezien is Nederland een pop up land van zeven afgescheiden provinciën, waar men in zeven sloten tegelijk kan lopen. Afgezien van een enkel fort is de stuwwal al die tijd vooral gebruikt als stapel brandhout. Waar in gezamenlijk beheer de polder floreerde, eindigde het hoogland in een kale woestijn. Staatsbosbeheer heeft de puinhopen van acht eeuwen landschapsverkiezingen mogen opbergen.

Pop Upladen

Heuvellandschappelijke zaken die in al die jaren wel van de grond kwamen waren de Neolithische grafheuvels (-800), Romeins aquaduct (100), Burcht Mergelp (1000), Klever Gärten (1650), Kronenburgerpark (1880), Heilig Landstichting (1911), Bergspoor Mooi Nederland (1913), Goffertpark (1939), Zevenheuvelenweg (1953) en Skibaan Molenhoek (1984). De rest betreft ontgrondingen of vuilnisbelten. De kunstalp in Molenhoek was geen lang leven beschoren. Succesvolle creaties als de Zevenheuvelenweg en Mooi Nederland zijn een concentraat van bestaande elementen.

Op Zeven gaan

De eerste stap is de fietsformule voor exploitatie van hooggebergtes niet langer als de maat der dingen zien en de rest als opmaat. De Noord-Europese Laagvlakte kent nu eenmaal geen hoge bergkammen met diep ingesleten kloofdalen, maar wel stuwwallen met tongbekkens, smeltwaterdalen en hellingen die door rivieren ondermijnd zijn. De vlakte is er opgekreukeld in een serie van drempels. Grondig samengevat blijkt er geen col zo zwaar als alle klimmen bij Nijmegen, bij elkaar. En geen berg zo Hollands als een Col de Collage, Montem Batavorum of Nederrijnse Berg.

Advertenties

Opbergkabinet

Nederrijnse Opbergunits

De Nederrijnse Opbergtheorie stelt dat je in Nederland kunt klimmen door middel van klimringen of hoogmakerijen analoog aan landwinning door inpoldering. De terrassen van Zuid-Limburg en de stuwwallen van Gelderland, Utrecht en Overijssel genieten op dit vlak enige erkenning, maar vormen slechts twee van de twaalf bronnen van unieke Nederlandse hoogtemeters. Vaak staart men zich blind op een muur, zoals bijvoorbeeld die van Beek. Is een omslag van eenhoogkoning naar opbergkabinet mogelijk?

Natuurlijk
1 Opheffing 2 Opstuwing 3 Afzetting
1.1 Terras 2.1 Stuwwal 3.1 Zandrug
1.2 Horst 2.2 Sandr 3.2 Duin
Aan de heuvelketting

Bij het effectief inzetten van hoogtemeters rond Nijmegen is logischerwijs eerst naar de stuwwallen gekeken. Een route van 200 kilometer levert 2000 hoogtemeters, twee keer Alpe d’Huez. Aangezien de stuwwallen van Rijk van Nijmegen, Veluwe en Montferland gescheiden zijn, is voor de verbinding gebruik gemaakt van bruggen over de Waal, Rijn en IJssel en van rivierduinen tussen Doetinchem en Doesburg. Hieruit blijkt de rol van deze aanvullende natuurlijke en menselijke opbergunits in klimroutes.

Menselijk
4 Verkeer 5 Water 6 Nijverheid
4.1 Brug 5.1 Dijk 6.1 Stort
4.2 Tunnel 5.2 Terp 6.2 Groeve
Maas in de wetlands

Dat klimmen rondom Nijmegen ook zonder stuwwallen kan, bewijzen twee routes van 100 kilometer die gezamenlijk 1000 hoogtemeters leveren. Je reinste d’huez ex machina. De eerste maakt gebruik van de Hatertse Heide sandr, duinen van de Hatertse Vennen en de horst van Mill, geflankeerd door bruggen over de Maas en Maas-Waalkanaal. De tweede genereert klimkracht met de Maasduinen, terras van Wemb en de sandr van de Gocher Heide. De hoogste tijd om de bekende twee voor twaalf om te ruilen.

Klimmen

Klimmen meten

Om de klimwaarde van stijgend asfalt te achterhalen vinden metingen van de hoogte plaats, met intervallen van honderd meter. Op basis van deze eerste meting worden de stijgingspercentages van het steilste deel maximaal uitgemeten. De verdere meetpunten volgen om de honderd meter de steilst vastgelegde stroken. Een preciezere afbakening van de helling gebeurt met de WTR-formule, waarbij het verschil tussen de geschatte en de werkelijke klimwaarde niet groter mag zijn dan 10%.

Klimdeling
Schijf WTR Aantal
A-rood 650 – 1300 8
B-oranje 325 – 650 15
C-geel 200 – 325 22
D-groen 100 – 200 35
E-grijs 50 – 100 35
Klimmen indelen

Daar het oprukkende landijs geen bordjes maar zwerfstenen heeft achtergelaten, zijn de toponiemen verzameld uit digitale weergaven van soms eeuwenoude bronnen. Een beklimming krijgt de naam van de heuveltop waar deze uiteindelijk heen voert. Om de hellingen op de Nijmeegse stuwwal te waarderen, is gekozen deze naar zwaarte in te delen in schijven, met de frequentieverhouding A:B:C:D = 1:2:3:4 als leidraad. E-grijs klimmen zijn in deze verhouding niet meegenomen.

Klimringen

Heuvelstelsel

Naast het inmeten en optellen van de aanwezige klimmen, kun je de kwaliteit van een heuvelstelsel ook tot uitdrukking brengen door middel van een klimring. Hierbij worden zo veel mogelijk hoogtemeters samengeperst in een optimale rondgang. Afhankelijk van de gemiddelde stijging zijn er drie soorten te onderscheiden. Ringen met een stijging van meer dan 0,75 % krijgen het label Obering, tussen 0,50 % en 0,75 % de naam Niedering en een oversteek tussen heuvelstelsels van 0,40 % tot 0,50 % heet Poldering.

Obering
Klimring Hoogte (m) Afstand (km)
Nijmegen 500 35
Groesbeek 340 30
Kranenburg 210 27
Kleve 300 25
Totaal 1350 117
Knippenberg

Klimringen hebben niet alleen een beschrijvende, maar ook een praktische werking. Je kunt ze aan elkaar schakelen tot een grotere ronde, of juist doorknippen, en een van de zijden gebruiken om een doorgaande route te creëren. Oberingen kun je eenvoudig aan elkaar smeden, maar dat houdt een keer op. Zoals je in de tabel ziet, kom je niet verder dan 1350 hoogtemeters in 115 kilometer. Daarna kun je met Niederingen de boel nog wat oprekken, of via een Poldering oversteken naar een forse Naobering.

Niedering
Klimring Hoogte (m) Afstand (km)
Neerbosch 160 25
Wijchen 150 26
Bedburg 150 21
Pfalzdorf 150 29
Totaal 610 101
Breiwerking

Waar de Oberingen vrijwel alleen gebruik maken van de stuwwal tussen Nijmegen en Kleve, zijn de Niederingen diverser samengesteld. Neerbosch combineert een sandr met bruggen over kanaal en Waal, terwijl Wijchen de eerste koppelt aan duinen. Bedburg gaat over een sandr, geschakeld aan een ongelaagde stuwwal. Pfalzdorf tenslotte, vormt een pure klimring over een sandr en komt qua gemiddelde stijging net boven het niveau van een Poldering uit. De voormalige Geldenberg wordt hier met node gemist.