De heuvelstaat van hoogmakerij Nimmalaya bevat 370 beklimmingen, verspreid over de stuwwallen van Nijmegen, Kranenburg, Kleve en de sandrs van Hatert en het Reichswald. De bulk van het hoogteverschil ligt op de stuwwal van Nijmegen. De beklimmingen met de grootste klimlading vind je rond Berg en Dal en Kleve.
Het register van klimringen vermeldt voor hoogmakerij Nimmalaya zes klimringen, waarvan vijf oberingen en een niedering, op de sandr van het Reichswald ten zuiden van Kleve. De sandr van Hatert levert wel een obering op. De klimring met de grootste klimsterkte (ALP) is die van Nijmegen, ook deels op de sandr.
De standaard klimroute Materhorn dagvaardt 1370 meter hoogteverschil in 105 kilometer en verwijst Dievelsalt wat betreft klimlading Zwitsalp (ZWI) in de Nimmalaya naar de derde plaats. De stuwwallen van Nijmegen, Kleve en Kranenburg worden aangedaan, evenals de sandr van het Reichswald. (2023)
De hoogmakerij Kalkarpaten bevat 180 beklimmingen, verdeeld over de stuwwallen van Kalkar, Louisendorf, Moyland, Sonsbeck, Xanten en de sandrs van het Reichswald en Goch. De oorsprong van deze klimunits blijft wat mistig, want een mix met opgeheven terras kan niet worden uitgesloten.
Het register van klimringen beschrijft voor hoogmakerij Kalkarpaten zes klimringen, waarvan twee oberingen (Sonsbeck en Xanten) en vier niederingen, rondom de stuwwallen van Louisendorf, Moyland en Kalkar en de sandr van Goch. De klimring met de grootste klimsterkte (ALP) is die van Xanten.
Met dit hellingproefschrift promoveren de Kalkarpaten naar de topklasse van de Upberg-competitie. De route Xantagonist start vlak over de grens in het Duitse Goch en draait met de klok mee via Louisendorf en Kalkar naar het keerpunt Xanten en daarna via Sonsbeck en Uedem weer terug. (2023)
De hoogmakerij Maaswallonia bevat 300 beklimmingen op duinen, bruggen en dijken. De zwaarste vind je tegen de Waaldijk. Andere klimunits zijn de Maasdijk, Maas-Waalduinen, de bruggen over het Maas-Waalkanaal en wegviaducten. Verder westwaarts ligt het hoogteverschil nagenoeg enkel tegen de dijk.
Het register van klimringen vermeldt voor hoogmakerij Maaswallonia acht klimringen, waarvan eenmaal een obering (Alverna) en zeven niederingen. De klimring met de grootste klimsterkte (ALP) is die van Alverna, in de Maas-Waalduinen, gevolgd door de niederingen van Wijchen en Dukenburg.
Klimpolderen tussen Maas en Waal als Ullridge (der Jan und only), omdat West voor de jeugd van tegenwoordig het oude Oost is. Haren te berge tot in de Drutense Maas en Waaltuinen. De eerste en laatste beklimmingen in Maaswallonia zijn kunstmatig, maar daartussen worden de rivierduinen aangedaan. (2020)
De hoogmakerij Afferdennen direct stroomopwaarts van het dorp Mook bestaat uit terrassen, duinen, bruggen en dijken. De zwaarste beklimming vind je op de Kreuzberg op het terras van Wemb. De hobbeligheid in dit gebied is lastig vangbaar in beklimmingen, dus klimringen geven een beter beeld van het reliëf.
Het register van klimringen beschrijft zes niederingen in hoogmakerij Afferdennen. De niedering met de grootste klimsterkte (ALP) is die van Wellerlooi, in de Maasduinen en het terras van Twisteden, gevolgd door die van Nieuw-Bergen en Afferden, de naamgever van de hoogmakerij, gekenmerkt door groubaix.
Geen stuwwallen, maar toch klimmen? Dat is zeker mogelijk over de Maasduinen en de oude Rijnterrassen van Wemb en Twisteden via klimlading Mergelp (MGL). De zuidgrens van de Afferdennen wordt getrokken bij het Nierskanal dat ter hoogte van de Hamert in de rivier de Maas uitstroomt. (2021)
De hoogmakerij Donsrug direct stroomopwaarts van Nijmegen bestaat vooral uit dijken, aangevuld met duinen en bruggen. De boerderijen staan hier voor de zekerheid op pollen ofwel terpen. Hoogmakerij Lentoux beslaat het grondgebied van de gemeente Nijmegen in de Betuwe ten noorden van de Waal.
Het register van klimringen vermeldt drie niederingen in hoogmakerijen Donsrug en Lentoux. De niedering met de grootste klimsterkte (ALP) is die van Lent, over de Waal in Nijmegen-Noord, gelegd op rivierdijken, rivierbruggen en wegviaducten, gevolgd door die van Ooij ten zuiden van de Waal in de gelijknamige polder.
Klimmen in de gelagerde landen blijft pappen en nathouden, omdat geen helling hier hoog, zwaar of lang genoeg is, om zelfstandig te functioneren als col. Deze stelling geldt bij nader inzien ook voor onze flatlands in zijn algemeenheid. Want wat is er gedaan met ontelbare reepjes land gescheiden door water? Samengevoegd met een dijkring en een waterschap dat drooghoudt tegen hoogwater. Als land gewonnen kan worden uit moeras, dan moet het ook mogelijk zijn om een berg te winnen uit reliëf door middel van een hoogmakerij.
Lees verder (3)
Polderflop
Klassiek is de vraag of het Oppidum Batavorum een enkele grote heuvelstad betrof, of verwees naar een ketting van kleine dorpen verspreid over de beschikbare hoogten in het laaggelegen rivierengebied. Is de Randstad een stad, of een ring van woonkernen rondom de geflopte polder van het Groene Hart? De principes van Bataafs schakelen lijken nog niet van de aardbodem verdwenen. En hoewel de Next Batavus een Col-no-go blijven zal, blijkt deze toch nuttig bij het omvormen van meerdere hoogten tot een Nederrijnse Berg.
Potgrondland
Eeuwenlange inspanning onder de noemer Dat-land-komt-er heeft voornamelijk geleid tot tijdelijk land. Een polderstelsel dat bestaat bij de gratie van continue bemaling. Zo bezien blijft Holland c.s. een potgrondland van zeven afgescheiden provinciën, waar men in zeven sloten tegelijk kan lopen. Afgezien van een enkel fort zijn de hoge gronden al die tijd vooral gebruikt voor brandhout en waar de polder floreerde, eindigde het bovenland in woestijn. Staatsbosbeheer heeft de puinhopen van acht eeuwen Groen mogen opbergen.
Staatswaterrijk
Dankzij een niet aflatend zeespiegelcomplex in de bovenkamer, blijven klimformules voor het hooggebergte hier ingeburgerd in de gemiddelde wielertoeristen-belasting. Onze oer-Hollandse, schier oneindige, rimpelvlakte kent wellicht geen bergketens, maar moet het rooien met terrasranden, stuwwallen en duinenrijen. Een gelijktijdige opstand van deze verenigde eenhoogkoningen is wel in staat de hoogheid van de Mount Everest onttronen, dus het initiatief is aan de fietsvermoedende burger van een Staatswaterrijk.
1.1 Terras
1.1 Terras Wemb – Kreuzberg – Wemb
1.1 Terras Twisteden – Ratshof – Twisteden
Upbergkabinet
Eenhoogkoning
Waar het land plat is, duiken duinen of dijken op, anders staat het onder water, maar ook bruggen, anders gaat het onder water, hopelijk toch met een tunnel. In de hogere kringen genieten de terrassen van Zuid-Limburg en de stuwwallen van Gelderland enige erkenning, maar representeren slechts twee van de twaalf klimunits uit het upbergkabinet voor Nederlands hoogteverschil, waarvan er zes natuurlijk en zes kunstmatig zijn.
Lees verder (4)
Natuurlijke klimunits
Tektoniek
Glaciotekt.
Sedimentatie
1.1 Terras
2.1 Stuwwal
3.1 Duin
1.2 Horst
2.2 Sandr
3.2 Zandrug
Aardverschuiving
Dat je voor terpen niet naar Friesland hoeft en voor aardbevingen niet naar Groningen, lijkt wierd. Daarnaast komen de klimunits terras, stort en groeve ook buiten Limburg voor en zijn er voor de klimunit duin meer mogelijkheden dan alleen Holland en Zeeland. Voor de klimunits stuwwal en sandr kun je gewoon terecht buiten Utrecht en Gelderland en voor zandruggen buiten Drenthe en Overijssel. Wel uniek is de Peelhorst in Noord-Brabant.
Kunstmatige klimunits
Transport
Waterstaat
Nijverheid
4.1 Brug
5.1 Dijk
6.1 Stort
4.2 Tunnel
5.2 Terp
6.2 Groeve
Driehoeksmeting
Een grote verscheidenheid aan klimunits is te verwachten in de driehoek tussen de Maas vanaf het Nierskanal, via de Waal, Rijn en (Alter) Rhein terug tot het Winnenthaler Kanal en met een loodlijn naar het startpunt aan de monding van het Nierskanal in de Maas. De oprijzende terrassen, stuwwallen, sandrs en duinen, beloven hier samen met bruggen en dijken, een lading natuurlijk en kunstmatig gevormd hoogteverschil.
Zo’n menigte hoogteverschil in de achtertuin is natuurlijk fenomenaal, maar ligt daar ook asfalt op de juiste plek? En mag je daar vervolgens ook met de fiets overheen? Upbergen propageert het economisch en met juist beleid inzetten van (over)winbaar hoogteverschil in een land, gebukt onder het juk van de dominante waterstaat. Een strategisch beheer van de natuurlijke en kunstmatige voorraad oneffenheid ontbreekt fundamenteel sinds de Hollandse waterburchten en wel over de hele linie.
Lees verder (3)
Heuvelpartij
Het complete programma van een denkbeeldige heuvelpartij onderscheidt drie categorieën aan klimkansen, oplopend van wegbeheer tot ruimtelijk ordening. Verbeteringen in de eerste categorie zijn verreweg het eenvoudigst te realiseren via de lokale politiek. Dit zijn tweerichtingsverkeer voor fietsers op specifieke hellende wegen, gedeeltelijke openstelling van hellende voetgangersgebieden voor fietsers en doorgangen op hellende semi-publieke terreinen betrekken bij de openbare weg en het publieke leven.
Hellingbanen
Ook de tweede klasse biedt kansen als men tornt aan het schijnbaar fundamentele recht om op een versnellingsloze fiets overal in Nederland te komen. Ongebreideld egaliseren door aanleg van ruimtevretende flauwe hellingbanen is onbetaalbaar. Opgangen bij reconstructies kunnen steiler en nieuwe fietspaden hoeven niet per definitie op de meest egale tracés. Ook het aanleggen van verharde paden op de honderden afvalbergen laat het beschikbare hoogteverschil fors toenemen.
Megaterpen
Hoge gronden structureel als natuurgebied aanwijzen en mensen tot zeven meter onder de zeespiegel te laten kopen is een economische keuze. Het opwerpen van megaterpen heeft het niet gehaald, evacueren is goedkoper. Vaste oeververbindingen zijn hierbij van groot belang. De Randstad tijdig evacueren lijkt bovendien kansrijker per fiets. Hoge gronden kunnen heuvelschapsbelasting invoeren voor wegonderhoud. De instanties die hier het beste op de hoogte zijn, heten waterschap en waterstaat.
2.2 Sandr
2.2 Sandr Hatert – Molenberg – Nijmegen
2.2 Sandr Reichswald – Kaninenberg – Kleve
2.2 Sandr Goch – Gocherberg – Pfalzdorf
Heuvelkerncentrale
Hoogmakerij
Zoals droogmakerijen het opkweken van waterland tot ongekende hoogten brengen, is het opwekken van klimstroom uit klimunits de technische functie van een hoogmakerij. Het upbergen van klimlading gebeurt in fasen in een heuvelkerncentrale. Het splitsen van hoogteverschillen uit klimunits genereert klimstroken en klimringen, die gelijk of gemixt geschakeld, fuseren naar diverse klimroutes. De cyclus van klimsplitsing en klimfusie, het zogenaamde upbergen, wordt vaak meerdere keren doorlopen.
Lees verder (9)
Klimsplitsing
Klimstrook
Stijging (%)
Beklimming
2,00 – 20,00
Groubaix
0,50 – 2,00
Platbodem
0,00 – 0,50
Klimring
Stijging (%)
Obering
0,75 – 1,50
Niedering
0,50 – 0,75
Buffering
0,25 – 0,50
Klimstrook
De gemiddelde stijging van een wegvak doet een uitspraak over het hoogteverschil binnen een bepaalde lengte, maar vertelt niet hoe dat hoogteverschil verdeeld is. De manier om daarachter te komen, is door het hoogteverschil te splitsen in beklimmingen, groubaix en platbodems. Hierbij zoek je naar het grootste hoogteverschil (H) gedeeld door de kleinste lengte (L), met als doel 90 % van de beklimmingen te isoleren van groubaix en platbodems, om het gesplitste hoogteverschil per hectometer op te nemen in een heuvelstaat.
Klimring
Na of voordat je alle klimstroken gaat opmeten, kun je de klimlading van een hoogmakerij inschatten met klimringen. Hierbij maak je rondes waar het grootste hoogteverschil (H) gedeeld wordt door de kleinste lengte (L), dus met de grootste gemiddelde stijging (%). Klimringen met een gemiddelde stijging groter dan 0,75 % krijgen het label obering, die tussen 0,50 % en 0,75 % het label niedering en de vlakke overbruggingen beneden 0,50 % het label buffering. Doorgaans is het leggen van een klimring de tweede stap.
Stijging
★ Stijging (%) = 100 * H / L
Klimroute
Door het toepassen van de klimformules kun je gesplitste klimstroken en klimringen laten fuseren tot optimale klimroutes. De beklimmingen versmelten idealiter met oberingen, zoals op klimunits 2.1 en 2.2. Bij lastig splitsbaar hoogteverschil, zoals lokaal op klimunits 1.1 en 3.1, neem je het groubaix en niederingen als basis. Bij afwezig groubaix, zoals op klimunits 4.1 en 5.1, kun je een klimroute maken met beklimmingen en niederingen.
Klimfusie
Klimunit
Klimstrook
Klimring
2.1 en 2.2
Beklimming
Obering
1.1 en 3.1
Groubaix
Niedering
4.1 en 5.1
Beklimming
Niedering
Inspanning
Het hoogteverschil duidt de te verrichten arbeid, maar niet de benodigde inspanning. De klimlading beschrijft het potentiaal van een klimstrook, klimring of klimroute, waarbij de gemiddelde stijging ook wordt meegenomen. Het berekenen van de klimlading kan met verschillende klimformules, waaruit de gestandaardiseerde klimstroom volgt.
Klimformules
Klimlading
Klimstroom
Klimarbeid
Zwitsalp
Alpere
Stravolta
Mergelp
Duvolt
Klipfactor
Uflach
Hoogohm
Volverde
Hellingproeverij
Van de hierboven vermelde en hieronder te beschrijven klimformules ontbreekt voor de klimformule Mergelp nog de spreekwoordelijke hellingproef op de som. Het sterkste bewijs als voorspeller in en uit de praktijk is verzameld voor de klimformules Zwitsalp en Alpere, gevolgd door Stravolta en Volverde, terwijl de klimformules Duvolt, Hoogohm, Klipfactor en Uflach, als hulp- of controlevariabelen, meer indicatief van karakter zijn.
3.1 Duin
3.1 Duin Maas en Waal – Wijchenerhorst – Alverna
3.1 Duin Maasduinen – Logterberg – Gennep
Klimlading
Zwitsalp
De klimlading kun je berekenen door het hoogteverschil in het kwadraat te delen door de lengte en te vermenigvuldigen met het knikcijfer, gebaseerd op de klimpedantie. Goed gesplitste beklimmingen hebben knikcijfer 220 en goed gefuseerde klimroutes knikcijfer 380. Klimroutes in Zwitsalp zijn het schoolvoorbeeld van klimmen op de fiets. De formule zegt enkel iets over de zwaarte op de tekentafel, want de praktische moeilijkheidsgraad blijft vooral afhankelijk van de (aanvangs-)snelheid.
★ Klimlading (ZWI) = 220 * H² / L en 380 * H² / L
Lees verder (2)
Mergelp
Bij klimroutes over lokale terrassen en duinen ligt de grootste portie hoogteverschil als een matig gefuseerde klimring onder de beklimmingen gevat in het groubaix. Voor klimroutes over bruggen en dijken geldt dit andersom. Slecht te splitsen of te fuseren hoogteverschil vergroot de weerstand (klimpedantie) tegen de klimstroom. Voor deze hobbeligheid of schokkerigheid krijgt Mergelp in de formule voor klimlading daarom het knikcijfer 540 mee. Voor de klimstroken zelf geldt wel knikcijfer 220.
★ Klimlading (MGL) = 540 * H² / L
Uflach
Het duiden van de klimlading van beklimmingen kan met een 12-puntsschaal, geschikt voor bijna elke beklimming in Nederland. De schaal is omzetbaar naar een uflachpalet met kleurcodes: E-grijs = 1-2, D-groen = 3, C-geel = 4-5, B-oranje = 6-7-8 en A-rood = 9-10-11-12. Uflach bereken je door de wortel te nemen van 25 maal het hoogteverschil in het kwadraat, gedeeld door de lengte, waarna je een punt aftrekt. De drempelwaarde 1 Uflach ligt op 20 Zwitsalp, dus ook het groubaix doet soms mee met kleurcode grijs.
Klimlading of klimarbeid zegt bij korte omlopen, gebruikt in wedstrijden of training, alleen iets over een keer rond. Om klimroutes te vergelijken op intensiteit heb je meer aan klimsterkte, ook wel klimstroom genoemd. Hiervoor deel je de klimlading of klimarbeid door de lengte en vermenigvuldig je met 1000. De klimsterkte kan worden opgevoerd met extra beklimmingen, meer groubaix, of door beklimmingen beter kort te sluiten. Ook bij klimringen kun je de gemiddelde stijging omzetten naar Alpere.
★ Klimsterkte (ALP) = 1000 * {ZWI, MGL, VLV} / L
Lees verder (2)
Duvolt
Wil je iets weten over de gemiddelde stijging van de klimstroken in een klimroute, dan kun je de klimspanning Duvolt berekenen. Hiervoor deel je vijfmaal de klimlading tot de macht twee, door het hoogteverschil tot de macht twee. Als beklimmingen in een klimroute ver uiteen liggen, of klimstroken weinig hoogteverschil bevatten, kun je alsnog een redelijke klimlading bereiken door het bijvoegen van klimstroken met een grote gemiddelde stijging. Doorslagspanning kan lekstroom veroorzaken.
★ Klimspanning (DVT) = 5 * {ZWI, MGL}² / H²
Hoogohm
Voor de klimpedantie neem je het product van een tweehonderdste van de klimlading en de lengte en deelt dit door het hoogteverschil tot de macht twee. Hoogohm, de ‘weerstand tegen de klimstroom’ zegt hoe dicht de klimstroken gemiddeld opeen liggen en hoe goed ze zijn geïsoleerd, oftewel gesplitst. Stuwwallen geven rond de 1,9 Hoogohm en duinen 2,7 Hoogohm. Een gelijkmatige hellingbaan geeft 1,0 Hoogohm en 1,2 Hoogohm met de afdaling erbij. Een grondig gesplitste beklimming varieert rond de 1,1 Hoogohm.
De gerealiseerde gemiddelde snelheid op een beklimming kan worden omgezet naar een gestandaardiseerde klimarbeid. Deze kun je fixeren door de overwonnen rolweerstand, luchtweerstand en hellingbelasting bij elkaar op te tellen. De eerst- en laatstgenoemde nemen lineair toe, terwijl de tweede exponentieel stijgt. De maximale klimarbeid lijkt normaal verdeeld met een grote groep in het midden en een afnemende bezetting op deflanken. Deze rekenwaarden gaan over getrainde sporters.
De Klipfactor van een beklimming hangt, naast klimlading, af van de klimarbeid. Bij het toenemen van de klimarbeid neemt de selectiviteit van een beklimming af. Dit komt omdat het aandeel van de luchtweerstand in de klimarbeid zeer snel oploopt met de snelheid, en dus ook het windvoordeel. De Klipfactor bereken je door het product te nemen van 0,33 maal de snelheid in kilometer per uur en de klimlading, gedeeld door de klimarbeid. Van deze uitkomst neem je vervolgens het kwadraat.
Meer halen uit minder stijging kan met klimarbeid Volverde. Deze bereken je door het aantal hectometers met een stijging van 3-4-5-6 % te vermenigvuldigen met 25. Alleen die hectometers die staand zonder aanloop op het buitenblad worden afgewerkt tellen mee. Beklimmingen met hectometers steiler dan 6 % vallen af. Aangezien hectometers met een stijging van 3-4-5 % het vaakst voorkomen, is een bijkomend voordeel dat de keuze uit beklimmingen groter wordt en specifiek trainen eenvoudiger.
★ Klimarbeid (VLV) = 25 * Σ (N3% ≤ N6%)
5.1 Dijk
5.1 Dijk rivierdijk – Dijkstraat – Weurt
5.1 Dijk polderdijk – Sluisweg – Heumen
Praktijk
Klimstroken
Tijdens het opmeten van klimstroken lees je per hectometer de hoogte af van de geldende hoogtekaart en noteer je het verschil in hoogte (H), dus de stijging (%) per klimstrook, in gehele meters. Meet daarna de klimstroken zo in per hectometer, dat een beklimming met de grootste klimlading (ZWI) wordt bereikt en teken de Gps-punten van het traject in. Leg daarna het hoogteverschil (H) en lengte (L) vast in het register, samen met de plaats, de straten, stijgingen (%), hoogmakerij, sectie, klimunit, code, gemeente, provincie en bron.
Lees verder (4)
Beklimming
Voor de hoogmakerijen Nimmalaya en Kalkarpaten, met een groot aandeel klimunits 2.1 Stuwwal en 2.2 Sandr, staat de minimale klimlading van een te coderen beklimming gelijk aan een klimstrook met een stijging van 4 % (32 ZWI). De hoogmakerijen Maaswallonia, Afferdennen en Donsrug, met een groot aandeel klimunits 3.1 Duin, 4.1 Brug en 5.1 Dijk, kennen een minimale klimlading per beklimming, die gelijk staat aan een klimstrook van 3 % (20 ZWI). Bij klimunit 5.1 Dijk wordt de lengte (L) in decameters bepaald.
Oroniem
Bij natuurlijke klimunits worden de beklimmingen doorgaans vastgelegd aan de hand van het oroniem, met de op klimlading toegevoegde rang. Bij klimunits 4.1 Brug en 4.2 Tunnel worden beklimmingen vastgelegd met de naam van het kunstwerk of naam van de straat, met windstreek van benadering. Bij klimunit 5.1 Dijk worden beklimmingen vastgelegd met de naam van de straat en bij gelijke straatnamen wordt het huisnummer toegevoegd, en/of de windstreek van ligging. Bij klimunits 6.1 Stort en 6.2 Groeve is dit variabel.
Klimringen
Klimringen worden nagemeten met de geldende routeplanner, een die het hoogteverschil betrouwbaar weergeeft. Daarna worden het verschil in hoogte (H), lengte (Lkm), stijging (%), klimsterkte (ALP) en hoogmakerij vastgelegd. De opgemeten niederingen worden verder opgedeeld in E-grijs (0,50-0,63 %) en D-groen (0,63-0,75 %) en de oberingen in C-geel (0,75-0,88 %), B-oranje (0,88-1,00 %) en A-rood (>1,00 %). De bufferingen (<0,50 %) worden niet opgenomen in het register, maar worden wel bewaard in de reserve.
Kleurcode
★ Kleurcode = 0,50 % < E > 0,63 % < D > 0,75 % < C > 0,88 % < B > 1,00 % < A
6.1 Stort
6.1 Stort divers – Lange Teersdonk – Wijchen
Resultaat
Klimsplitsing
De heuvelstaat van Nijmegen meldt meer dan 10.000 meter gesplitst hoogteverschil op negen van de twaalf klimunits uit het upbergkabinet: 1.1 Terras, 2.1 Stuwwal, 2.2 Sandr, 3.1 Duin, 4.1 Brug, 4.2 Tunnel, 5.1 Dijk, 6.1 Stort en 6.2 Groeve. De grootste bijdrage aan het gesplitst hoogteverschil komt met 70 % voor rekening van de glaciotektoniek (2.1 en 2.2), terwijl de tektoniek (1.1), sedimentatie (3.1), transport (4.1 en 4.2), waterstaat (5.1) en nijverheid (6.1 en 6.2) goed zijn voor 30 %. Het klimringenregister telt 29 klimringen en een gesplitst hoogteverschil van meer dan 5.000 meter.
Lees verder (1)
Klimfusie
Het weer fuseren van het gesplitst hoogteverschil leidt tot een standaard klimroute in vier van de hoogmakerijen: Materhorn (Nimmalaya), Xantagonist (Kalkarpaten), Beuninghardt (Maaswallonia) en Genepista (Afferdennen). De hoogmakerij Donsrug kan door het gebrek aan D-groen klimringen niet worden voorzien van een standaard klimroute. Het aandeel van het gefuseerd hoogteverschil in klimroutes ten opzichte van dat van de klimringen is voor de Nimmalaya en Kalkarpaten met 70-80 % fors hoger dan dat voor Maaswallonia en de Afferdennen, die door het aantal E-grijs klimringen op 40-50 % blijven steken.
6.2 groeve
6.2 Groeve divers – Auf der Trift – Wemb
Begrippen
A-B-C-D
A-rood (A): Kleurcode voor de hoogste moeilijkheidsgraad. Asfalt: Generieke benaming voor alle soorten verharde weg. Afferdennen: Hoogmakerij, samentrekking van Afferden en Ardennen. Alpere (ALP): Klimformule voor klimsterkte, afgeleid van stroomsterkte ampère. B-oranje (B): Kleurcode voor de een-na-hoogste moeilijkheidsgraad. Beklimming: Klimstrook met een gemiddelde stijging van 2,00-20,00 %. Brug (4.1): Kunstmatige klimunit, kunstwerk voor transport. Buffering: Klimring met een gemiddelde stijging van 0,00-0,50 %. Buitenblad: Wielerterm voor het grootste voortandwiel op een racefiets. C-geel (C): Kleurcode voor de middelste moeilijkheidsgraad. Col: Origineel de beklimming van een bergpas, nu meer algemeen. Col-no-go: Woordspeling op Colnago, een stijlvol Italiaans fietsmerk. D-groen (D): Kleurcode voor de een-na-laagste moeilijkheidsgraad. Dat-land-komt-er: Afgeleid van Die-berg-komt-er, initiatief van Thijs Zonneveld. Dijk (5.1): Kunstmatige klimunit, kunstwerk voor waterstaat. Donsrug: Hoogmakerij, samentrekking van Donsbrüggen en Hondsrug. Duin (3.1): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door sedimentatie. Duvolt (DVT): Klimformule voor klimspanning, afgeleid van spanning Volt.
E-F-G-H
E-grijs (E): Kleurcode voor de laagste moeilijkheidsgraad. Eenhoogkoning: Woordspeling, samentrekking van eenhoog en eenoog koning. Fietsvermoedend: Woordspeling voor nietsvermoedend op de fiets zittend. Flatlands: Kwalificatie voor land zonder noemenswaardig hoogteverschil. Groeve (6.2): Kunstmatige klimunit, landschapsvorm door nijverheid. Groubaix: Klimstrook met een gemiddelde stijging van 0,50-2,00 %. Hellingbelasting: Belasting door hellingkracht, de wielerterm is klimweerstand. Hellingproeverij: Test in de praktijk, samentrekking van hellingproef en proeverij. Heuvelkerncentrale: Virtueel complex voor het splitsen en fuseren van hoogteverschil. Heuvelpartij: Denkbeeldige politieke partij, tegenhanger van waterpartij. Heuvelschap: Denkbeeldig overheidsorgaan, tegenhanger van waterschap. Heuvelstaat: Dataverzameling van naar beklimmingen gesplitst hoogteverschil. Hobbeligheid: Hoogfrequent hoogteverschil met een kleine amplitude. Hoogmakerij: Verzameling passende klimunits, klimstroken en klimringen. Hoogohm (HGO): Klimformule voor klimpedantie, afgeleid van weerstand Ohm. Hoogteverschil (H): Verschil in hoogte tussen twee punten in gehele meters. Horst (1.2): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door tektoniek.
I-J-K-L
Intensiteit: Maat voor de benodigde inspanning per tijdseenheid. Kalkarpaten: Hoogmakerij, samentrekking van Kalkar en Karpaten. Kleurcode: Schaal voor moeilijkheidsgraad, van E-grijs naar A-rood. Klimarbeid: Product van geleverde arbeid per tijdseenheid en arbeid. Klimformule: Verband tussen variabelen van een klimstrook, -ring of -route. Klimfusie: Samenvoegen van klimstroken en -ringen tot een -route. Klimkans: Klimunit die geschikt gemaakt kan worden als beklimming. Klimlading: Potentiaal van een klimstrook, klimring of klimroute. Klimmen: Wielerterm voor het afleggen van een traject met hoogteverschil. Klimpedantie: Weerstand van een klimstrook, klimring of klimroute. Klimring: Optimaal gesplitst hoogteverschil in een circulair traject. Klimroute: Gefuseerde klimstroken en -ringen in een circulair traject. Klimspanning: Spanning van een klimstrook, klimring of klimroute. Klimsplitsing: Isoleren van hoogteverschil in klimstroken of klimringen. Klimsterkte: Klimlading van een klimstrook, -ring of -route per kilometer. Klimstrook: Optimaal gesplitst hoogteverschil in een lineair traject. Klimstroom: Algemene term voor klimsterkte, de klimlading per kilometer. Klimunit: Categorie hoogte in het landschap, ingedeeld naar ontstaanswijze. Klipfactor: (KLF) Klimformule voor selectiviteit, gebaseerd op klimarbeid. Knikcijfer: (KNI) Correctiefactor voor klimpedantie in de klimformule voor klimlading. Lengte (L): Lengte van een klimstrook, -ring of -route in meters afgelegde weg. Lentoux: Hoogmakerij, samentrekking van Lent en (Mont) Ventoux. Luchtweerstand: Stromingsweerstand door beweging van fiets en fietser door de lucht.
M-N-O-P
Maaswallonia: Hoogmakerij, samentrekking van Maas, Waal en Wallonië. Mergelp (MGL): Klimformule voor klimlading, vernoemd naar versterking Mergelp. Na-Alpen: Woordspeling op na-apen, samentrekking van na-apen en Alpen. Nederrijnse Berg: Denkbeeldige berg, woordspeling op Nedereindse Berg. Next Batavus: Woordspeling op Batavus Nexus, zeer degelijk fietstype. Niedering: Klimring met een gemiddelde stijging van 0,50-0,75 %. Nimmalaya: Hoogmakerij, samentrekking van Nimma (Nijmegen) en Himalaya. Obering: Klimring met een gemiddelde stijging van 0,75-1,50 %. Omloop: Wielerterm voor een herhalend traject in een wielerwedstrijd. Parcours: Wielerterm voor het traject in een wielerwedstrijd of wielertocht. Platbodem: Klimstrook met een gemiddelde stijging van 0,00-0,50 %. Polder: Droogmakerij, voortdurend te bemalen door dijken omringd land. Polderflop: Kwalificatie voor een mislukte, slecht te gebruiken droogmakerij. Potgrondland: Kwalificatie voor land met weinig diepgang, zoals grond in een pot.
Q-R-S-T
Register: Tabel met data van beklimmingen of klimringen, ex Gps-punten. Rimpelvlakte: Kwalificatie voor een landschap met veel kleine hoogteverschillen. Rolweerstand: Wrijvingsweerstand door een rollende band op het wegdek. Routeplanner: Toepassing om Gps-data te projecteren op geografische kaarten. Selectiviteit: Selecterend vermogen van een beklimming of klimroute. Sandr (2.2): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door glaciotektoniek. Schaterlinie: Woordspeling, samentrekking van schateren en waterlinie. Staatswaterrijk: Kwalificatie voor land dat leeft van water, tegenhanger oliestaat. Stijging (%): Hoogteverschil in meter of percentage per hectometer afgelegde weg. Stort (6.1): Kunstmatige klimunit, landschapsvorm door nijverheid. Stravolta (STR): Klimformule voor klimarbeid, samentrekking van Strava en Volt. Stuwwal (2.1): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door glaciotektoniek. Terp (5.2): Kunstmatige klimunit, kunstwerk voor waterstaat. Terras (1.1): Natuurlijke klimunit landschapsvorm door tektoniek. Tunnel (4.2): Kunstmatige klimunit, kunstwerk voor transport.
U-V-W-X-Y-Z
Uflach (UFL): Klimformule voor klimlading, vernoemd naar versterking Upladen. Uflachpalet: Verzameling van aanwezige beklimmingen naar kleurcode. Upbergen: Activiteiten gericht op het splitsen en fuseren van hoogteverschil. Upbergkabinet: Verzameling van aanwezige natuurlijke en kunstmatige klimunits. Upbergpolitiek: Beïnvloeden van de voor fietsen geschikte verzameling hellend asfalt. Volverde (VLV): Klimformule voor klimarbeid, samentrekking van Volt en Valverde. Wielertoerist: Benaming voor niet-professioneel beoefenaren van de wielersport. Windvoordeel: Wielerterm, energetisch voordeel door het fietsen in een groep. Zandrug (3.2): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door sedimentatie. Zeespiegelcomplex: Kwalificatie voor de overtuiging dat heel Nederland vlak is. Zwitsalp (ZWI): Klimformule voor klimlading, samentrekking van Zwitsers en Alp.