Categorie: Heemkunde

De lokale en regionale historie, geografie en cultuur bij Nijmegen.

  • Carolus Mediocris: Van donjon naar balkon

    https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31817236

    De Keizerstad-mythe

    Nijmegen presenteert zich al generaties als trotse Keizerstad. Het Valkhof fungeert daarbij als symbool van een imposante Karolingische palts, waar Karel de Grote paasfeesten zou vieren met uitzicht over de Waal. Historische vermeldingen in Einhards Vita Karoli Magni en de Annales Regni Francorum lijken dit beeld te ondersteunen, evenals historische studies zoals de Stede-atlas van Nijmegen (Gorissen, 1956). De bodemvondsten en munten vertellen echter een veel soberder verhaal. Er is geen sprake van een groot paleiscomplex, maar van hergebruikte Romeinse resten, beperkte funderingen, incidenteel aardewerk en een enkel kapiteel. Archeologie toont geen Karolingische aula of zware verdedigingswerken, maar een bescheiden knooppunt dat beter past bij een functioneel punt in een groter netwerk dan bij een dominante residentie. De kloof tussen de culturele mythe en de materiële werkelijkheid blijft opvallend.

    Lees verder (2)

    Het Nijmeegs muntbeeld

    Het vroeg- en volmiddeleeuwse muntbeeld is gebaseerd op de Numismagus Dataset met 97 gedocumenteerde losse munten (single coins) gevonden in de gemeente Nijmegen (Duchateau, 2026a). Selectiecriteria zijn een betrouwbare datering tussen 450 en 1200 n. Chr. en het uitsluiten van schatvondsten. De muntdata vertonen een opvallend gelijkmatige spreiding zonder duidelijke pieken (Duchateau, 2026c, 2026d). Ze zijn gelijkmatig verdeeld over de vijf perioden van 150 jaar (zie bijlage: figuur 1). Statistische toetsing laat geen significante afwijking zien van Karolingische uitgevers (twintig exemplaren; ca. 20,6 %; Duchateau, 2026b). Deze distributie wijst meer op een functioneel rivierknooppunt, dan op een intensief gebruikt koninklijk of administratief centrum op het Valkhof.

    De Valkhof-paradox verklaard

    De Valkhof-paradox ontstaat door de spanning tussen grootschalige historische verhalen en de beperkte materiële resten. Karel de Grote onderhoudt een mobiele hofhouding en verblijft slechts incidenteel op verschillende locaties. Nijmegen fungeert niet als vaste residentie, maar als strategisch balkon in een netwerk van routes en relaties. Macht manifesteert zich vooral via persoonlijke contacten, allianties en logistieke controle, niet via imposante bouwwerken (Wickham, 2005). De paradox dwingt tot cognitieve herwaardering: de soberheid van het Valkhof past juist goed bij een mobiel koninkrijk waarin vastgoed ondergeschikt blijft aan een dynamische netwerk (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008).

    Balkon Belvédère

    • Balkon Belvédère

    De Rijn-Rhône-as ontrafeld

    Deze netwerkstrategie komt het duidelijkst tot uiting langs de Rijn-Rhône-as: een vitale noord-zuidverbinding van de Noordzee via de Rijn-Maas-delta naar de Rhône-vallei en uiteindelijk de Middellandse Zee (zie bijlage: figuur 2). Vruchtbare gronden en emporia als Dorestad en Quentovic in het noorden, en havens als Arles en Marseille in het zuiden, vormen de schakels. Goederen bewegen in beide richtingen. Macht ligt in de controle over deze stromen en verbindingen, niet in monumentale centra. Polycentrische knooppunten bieden meer flexibiliteit dan hyper-centrale residenties. Vergelijkingen met andere vindplaatsen in de Rijn-Maas-delta laten zien dat het Nijmeegs muntbeeld opvallend gelijkmatig is, terwijl elders meer variatie optreedt (Duchateau, 2026b). Theuws (2026) benadrukt dat degelijke riviernetwerken niet alleen handelsroutes betreffen, maar fundamentele machtsstructuren zijn waarin controle over goederen, mensen en informatie centraal staat. Het Valkhof fungeert als strategisch balkon aan de noordelijke rand (overgangszone) van de Rijn-Rhône-as: bereikbaarheid is belangrijker dan architecturale pracht (Loveluck, 2013; Wickham, 2005).

    Lees verder (3)

    Bouwhistorisch muurwerk

    Recent bouwhistorisch onderzoek aan de St. Maartenskapel (Barbarossaruïne) suggereert Karolingisch muurwerk uit circa 775–800 n. Chr. Metselverbanden en profileringen wijzen op een representatieve ruimte, mogelijk een bescheiden aula regia (Hundertmark, 2019). Deze resten zijn echter beperkt en worden later hergebruikt in Ottoonse en Staufische bouwfases. Er zijn geen aanwijzingen voor een groot complex of uitgebreide funderingen. Dit ondersteunt het beeld van een functionele structuur binnen een mobiel hofstelsel: er bestaat activiteit rond de tijd van Karel de Grote, maar geen doorgedreven monumentaliteit en hard bewijs ontbreekt vooralsnog (Theuws & den Braven, 2025).

    Post-Romeinse wortels

    De Karolingische aanpak wortelt in post-Romeinse praktijken vanaf de vijfde en zesde eeuw. Merovingische leiders consolideren macht via mobiele hoven, villa’s en lokale netwerken in plaats van vaste hoofdsteden. Dit patroon zet zich voort onder de Karolingen: koningen trekken rond om strategische en economische controle uit te oefenen (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008; Wickham, 2005). Het Valkhof in Nijmegen past als bescheiden locatie in dit polycentrische model. Robuustheid, bereikbaarheid en persoonlijke relaties bepalen de invloed, niet de omvang van bouwwerken.

    Emporia en netwerken

    Op het raakvlak van de Frankische en de Angelsaksische invloedssfeer ontstaan aan de noordzijde van de Rijn-Rhône-as gemengde emporia als Dorestad en Quentovic, waar handel bloeit zonder dat één invloedssfeer domineert. Dit illustreert de as-dynamiek: de Franken bemannen de uitlopers van de hogere gronden en de voorheen perifere Angelsaksen breiden hun invloed weer terug uit over de Noordzee (Theuws, 2019). De waterrijke Rijn-Maas-delta vormt de overgangszone van dit systeem. Macht ontstaat via verbindingen, niet via monumenten. Intensieve uitwisseling komt juist tot stand door gedecentraliseerde structuren en mobiele actoren. Nijmegen illustreert dit patroon als functioneel maar strategisch knooppunt aan de zuidrand van een bredere Noordzeecultuur, die doorloopt tot in Scandinavië (Loveluck, 2013).

    Balkon St. Nicolaaskapel

    • Balkon St. Nicolaaskapel

    Mythe versus realiteit

    Voor Nijmegen versterkt Gorissen (1956) het beeld van een continue centrale keizerlijke residentie, terwijl Delahaye (1958) stelt dat de historische vermeldingen van Noviomagus niet het Nederlandse Nijmegen, maar het Franse Noyon betreffen. Hoewel de alternatieve uitleg van Delahaye grotendeels is verworpen, blijft de dissonantie tussen bronnen en archeologie beklijven. Creatieve oplossingen voor deze dissonantie worden gevonden in 1) wijzen naar externe factoren, 2) cognitief omdenken, of 3) selectief omgaan met bewijs. Mythevorming vult aan wat de realiteit niet kan vertellen – een patroon dat veel historische locaties delen.

    Lees verder (2)

    Vergelijking met andere sites

    Het mechanisme is niet uniek voor Nijmegen. Tintagel blijft zich bijvoorbeeld verbinden met koning Arthur, ondanks sobere archeologie en gebrek aan historisch bewijs. Wijk bij Duurstede wordt geprofileerd als het emporium Dorestad, terwijl er geen spoor van de vele beschreven kerken gevonden is en bij Quentovic ontbreekt ook het bijbehorende muntbeeld (Coupland, 2002). Op meer plekken blijkt de mythe te compenseren wat in de archeologie blijft ontbreken. Het Valkhof in Nijmegen past in dit bredere patroon: de bescheiden materiële sporen wijzen op een netwerkgerelateerde machtsbasis van het reizende regime (Wickham, 2005).

    Carolus Mediocris

    Om historisch relevant te zijn hoeft Nijmegen niet aan te haken bij bewezen centra als Keulen of Aken. Het Valkhof getuigt zelf van een historische periode waarin macht primair werd uitgeoefend via verbindingen en mobiliteit, en niet via monumentale architectuur. In dit licht verdient Karel de Grote de typering Carolus Mediocris: groot in het smeden van netwerken en allianties, maar bescheidener in monumentale uitstraling. Het Valkhof fungeert daarin niet als tactisch donjon, maar als strategisch balkon aan de noordzijde van een dynamisch polycentrisch systeem op de grens van twee werelden: de Frankische en de Angelsaksische (Duchateau, 2026d). De Karolingische paleismythe is nuttig voor culturele en toeristische doeleinden en het verschaft de stad een extra imperiale identiteit, maar het genuanceerd historisch perspectief is ook vandaag de dag nog relevant.

    Referenties

    Costambeys, M., Innes, M., & MacLean, S. (2011). The Carolingian world. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511973987

    Coupland, S. (2003). Trading places: Quentovic and Dorestad reassessed. Early Medieval Europe 11(3), 209–232. https://doi.org/10.1046/j.0963-9462.2002.00109.x

    Delahaye, A. (1958). Het mysterie van de Keizer Karelstad. Winants.

    Duchateau, R. J. (2026a). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: The Numismagus Dataset [Dataset]. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31387345 

    Duchateau, R. J. (2026b). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: Riverine Comparisons in the Rhine–Meuse Delta. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31385311 

    Duchateau, R. J. (2026c). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: Nuancing the Valkhof Carolingian Palace Hypothesis. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31383100 

    Duchateau, R. J. (2026d). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: From Palace to Pilaster-Place, Revisiting the Valkhof Paradox. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31451578 

    Gorissen, F. (1956). Stede-atlas van Nijmegen (Werken van Gelre – Vol. 29). Quint & Brouwer.

    Hundertmark, H. F. G. (2019). De Valkhofburcht: Bouwhistorische verkenning Barbarossaruïne. Gemeente Nijmegen – Afdeling Stadsontwikkeling.

    Loveluck, C. (2013). Northwest Europe in the Early Middle Ages, c. AD 600–1150: A Comparative Archaeology. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO978113979472

    McKitterick, R. (2008). Charlemagne: The Formation of a European Identity. Cambridge: Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511803314

    Theuws, F. C. W. J. (2019). Reversed Directions: Re-thinking Sceattas in the Netherlands and England. Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters, 46, 27–84. https://www.academia.edu/80113126/ 

    Theuws, F. C. W. J., & den Braven, J. A. (2025). How did Aristocrats Live in Merovingian and (Early) Carolingian Times in Northern Gaul? An Archaeological Enigma: With some Remarks on the Royal Seat in Nijmegen. In M. Gierszewska-Noszczyńska, O. Grimm, & L. Grunwald (Eds.), Frankish Seats of Power and the North: Centres Between Diplomacy and Confrontation, Transfer of Knowledge and Economy (pp. 153–182). https://doi.org/10.11588/propylaeum.1681.c24452 

    Theuws, F. C. W. J. (2026). Reflections on Early Medieval Exchange. In S. Gelichi & M. Ferri (Eds.), Food and S.T.O.N.E.S.: Ships, Trade, Objects, Networks, Economy, Society (pp. 493–510). Venice University Press. https://doi.org/10.30687/979-12-5742-002-4/022

    Wickham, C. (2005). Framing the early Middle Ages: Europe and the Mediterranean 400–800. Oxford University Press.

  • Nijmegen Coinage 450–1200 CE

    Riverine Comparisons

    Recent onderzoek werpt nieuw licht op de geschiedenis van de nederzettingen in de huidige gemeente Nijmegen (450–1200 AD). Een gecompileerde dataset met 97 vroeg- en vol-middeleeuwse munten is vergeleken met munten uit dezelfde periode, gevonden in andere gemeenten in het Nederlandse rivierengebied. In tegenstelling tot modellen waarin middeleeuwse handelscentra elkaar opvolgden, zoals Tiel dat deed bij Dorestad, wijst de distributie van munten erop dat meerdere riviernederzettingen tegelijkertijd functioneerden in een inter-afhankelijk netwerk.1 2

    St. Maartenskapel

    • St. Maartenskapel (11e/12e eeuw)

    Nuancing Valkhof

    Ondanks de breed gedeelde traditie van een Karolingische palts op het Valkhof kent Nijmegen geen overschot aan munten uit de periode 750–900 AD. Anglo-Friese munten uit de periode 600–750 AD domineren op hun beurt wel in het noordwesten van de delta, terwijl Rooms-Duitse munten vanaf circa 900 AD overheersen in het zuidwesten. Het muntprofiel van de gemeente Nijmegen in het zuidoosten blijft al die tijd relatief neutraal en stabiel, ook na toevoeging van de Winkelsteeg-vondsten, die eerdere statistische verschillen met de gemeente Tiel grotendeels neutraliseren.3

    St. Nicolaaskapel

    • St. Nicolaaskapel (11e eeuw)

    Pilaster-Place

    Het lijkt er dus op dat Nijmegen functioneerde als onopvallende, maar structureel onmisbare knoop in het delta-netwerk door zijn logistieke ligging en verhoogde positie bij overstromingen, maar zonder de materiële rijkdom van primaire centra. Dit verklaart de Valkhof-paradox: historische vermeldingen suggereren prestige, terwijl de archeologie, waaronder de munten bescheidenheid toont. Vroeg- en vol-middeleeuws Nijmegen lijkt eerder een nuttige duurzame schakel, dan het centraal administratief centrum waar naar gezocht wordt, dus bescheiden op de hoogte en toch vlak bij.4 5 6

    DOI-links

    Bronnen

    1. Duchateau, R. J. (2026a). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: The Numismagus Dataset [Dataset]. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31387345 ↩︎
    2. Duchateau, R. J. (2026b). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: Riverine Comparisons in the Rhine–Meuse Delta. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31385311 ↩︎
    3. Duchateau, R. J. (2026c). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: Nuancing the Valkhof Carolingian Palace Hypothesis. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31383100 ↩︎
    4. Duchateau, R. J. (2026d). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: From Palace to Pilaster-Place, Revisiting the Valkhof Paradox. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31451578 ↩︎
    5. Duchateau, R. J. (2026). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: A Short Synthesis of Independent Research. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31867651 ↩︎
    6. Duchateau, R. J. (2026). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: The Pilaster-Place Model in the Post-Roman Meuse–Niers Valley. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31927278 ↩︎
  • Kartenspieler Weg, het toponiem

    Speculatie

    Over het toponiem Kartenspieler Weg, een grofweg vijf kilometer lange, golvende strook asfalt door het Reichswald tussen Grunewald en Grafwegen, wordt driftig gespeculeerd. Feit is dat het pad, met een zuidelijker geknikt verloop, als ‘Kart Speelders Weg’ staat vermeld op de ‘Tranchotkaart’ (1803-1820). Een kwart eeuw later is het middeleeuwse padenpatroon vervangen door kaarsrechte bosbouwpaden. Wat kan wel? 1 2 3 4

    Kartenspieler Weg

    • Slechtetop (1) - Kartenspieler Weg
    • Hertenkop (1) - Kartenspieler Weg
    • Hondsiep (1) - Kartenspieler Weg
    • Hemmendalsklef (1) - Kartenspieler Weg
    • Hemmendalsklef (2) - Kartenspieler Weg

    Ordonnantie

    In de Bataafse Republiek voerde het Kwartier van Nijmegen in 1795 als eerste een belasting in op speelkaarten, terwijl het Hertogdom Kleve het geldende Pruisische staatsmonopolie op speelkaarten juist achter zich liet, waardoor er tien jaar lang een omgekeerde situatie gold. Het toponiem lijkt dus te stammen uit de periode 1795-1815, als naam voor een spelplaats of smokkelroute, of door alibi’s van smokkelaars en stropers.5 6 7 8 9

    Tabel speelkaartenbelasting (1)

    Speelkaartenbelasting

    GroesbeekGrafwegenMilsbeek
    >1795>1795
    1795-1805
    1813-18151813-1815
    1815-1920
    1920-19271920-19271920-1927
    1927-1980*
    * Uitgezonderd 1939-1945

    Bronnen

    1. Tranchot, J.J. & Müffling, F.C.F. von (1803-1820). Topographische Aufnahme rheinischer Gebiete, 8. ↩︎
    2. Preußische Landesaufnahme (1836-1850). Preußische Kartenaufnahme, 01 Cranenburg – Blatt ‘Cleve. ↩︎
    3. Rgbz. Düsseldorf (1863). Bgm. Kessel, Gem. Nergena, Flur 2-2 Groenewald. Preußisches Katasteramt. ↩︎
    4. Peeters, M. (2022). Waarom de Kartenspielerweg de Kartenspielerweg heet. Weblog Het is Koers!, 5-aug ↩︎
    5. Betouw, J. in de (1795). Ordonnantie Impost op de speelkaarten. Reces des Quartiers v. Nijmegen, 1-aug. ↩︎
    6. Visser, W.M.G. (2008). Accijnzen, een onderzoek naar de rechtsgronden van de NL … , p 244-246. ↩︎
    7. Graumann, S. (2012). Aufbruch in die Moderne, die Franzosenzeit (1794–1814). IRG, 1-okt. ↩︎
    8. Bundesministerium der Finanzen (2017). Steuern von A bis Z, p 161-162. ↩︎
    9. Sharifi, M. (2018). L’impôt tue l’impôt, over de speelkaartenbelasting in NL. Novum, 39 (4), p 26-27. ↩︎
  • Hofberg, noordkaap Maas-Rijn (1)

    Stroomafwaarts

    Tot aan 270 CE staan als zodanig gebruikte Romeinse sterkten langs de toenmalige Rijnloop in het huidige Nederland relatief vast. Voor permanente Romeinse militaire controle van de Nederlandse Rijn-Maasdelta na 270 CE resteren enkel aanwijzingen, want versterkingen direct aan de rivier, zoals bij Kalkar (Rijn), Nijmegen (Waal) en Cuijk (Maas) en Goch (Niers) worden stroomafwaarts niet meer toegepast; die grens lijkt gepasseerd.1 2

    Romeinse sterkten na 350 CE

    • Maas-Rijn, Laat-Romeinse castra, castella en burgi (4e eeuw).
    • Nijmegen (Valkhof), ingeschat Laat-Romeins castellum (4e eeuw).

    Stroomopwaarts

    Veel is nog onzeker, maar de Romeinse grenssterkten na 350 CE kunnen zijn bedoeld om het ‘cluster van Trier’ stroomopwaarts van de Maas en Rijn te zekeren. Op de Hofberg (Valkhof) in Nijmegen zijn de omtrek van het muurwerk, daarmee het oppervlak en de muurtorens onduidelijk, net zoals de rivierlopen direct langs de Laat-Romeinse sterkten van Nijmegen en Xanten, die bij Cuijk, Goch en Kalkar wel aantoonbaar zijn.3 4 5 6 7

    Tabellen afmetingen en kenmerken (2)

    Afmetingen

    SterkteMuurwerkOppervlak
    Nijmegen170 x 701,2 ha
    Cuijk110 x 1101,2 ha
    Goch40 x 400,2 ha
    Kalkar170 x 1402,4 ha
    Xanten340 x 34012 ha
    8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

    Kenmerken

    TypeStroomBodem
    CastellumWaal (L)Sandr
    CastellumMaas (L)Duin
    BurgusNiers (R)Sandr
    CastellumRijn (L)Terras
    CastraRijn (L)Terras

    Bronnen

    1. Meulen-van der Veen, B. van der (2017). The Late Roman limes revisited, the changing function … . ↩︎
    2. Polak, M. et al. (2019). Tab. 2.1. Frontiers of the Roman Empire, the Lower German Limes, 1, p 60-71. ↩︎
    3. Betouw, J. in de (1805). Nijmegen verdeeld in Wijken, Straaten, Steegen, en Strecken … , p 6. ↩︎
    4. Klostermann, J. (2018). Rheinstromverlagerungen bei Xanten … . Natur am Niederrhein, 33 (1), p 5-16. ↩︎
    5. Preiser-Kapeller, J. (2018). Fig. 15. Networks and the resilience and fall of empires, … . SAGG, 36, p 37. ↩︎
    6. Cohen, K.M. et al. (2010). Fig. 14. Zand in banen, zanddieptekaarten van het Rivierengebied … , p 44. ↩︎
    7. Willemse, N.W. et al. (2019). De vroege Waal bij Nijmegen, stratigrafie, sedimentologie … . RAAP, 3208. ↩︎
    8. Cuijk: Bogaers, J. (1966). Opgravingen te Cuijk, 1964-1966. Nieuwsbulletin KNOB, 7, p 65-72. ↩︎
    9. Xanten: Rüger, C.B. et al. (1979). Die spätrömische Grossfestung in der CUT. BJ, 179, p 499-524 ↩︎
    10. Kalkar: Bödecker, S. et al. (2007). Die Entdeckung des Alenlagers Burginatium-KLK. AIR, 2006, p 107-109 ↩︎
    11. Cuijk: Seinen, P.A & Besselaar, J.A. van den (2013). Verkenning van de Laat-Romeinse … . MIM, 18. ↩︎
    12. Goch: Brüggler, M. et al. (2014). Burgus und Glaswerkstatt der Spätantike bei … . BJ, 214, p 71-127.  ↩︎
    13. Goch: Bakker, B. (2014). Rädchenverzierte Argonnensigillata von Goch-Asperden. BJ, 214, p 135-162. ↩︎
    14. Kalkar: Gerlach, R. & Meurers-Balke, J. (2014). Der Prallhang als Standort. … . AIR, 2013, p 114-117. ↩︎
    15. Xanten: Gerlach, R. & Meurers-Balke, J. (2014). Wo wurden römische Häfen am … . BB, 16, p 199-208.  ↩︎
    16. Nijmegen: Bloemers, J.H.F. (red) (2016). Four approaches to the analysis of (pre-)Roman … , p 175-216. ↩︎
    17. Nijmegen: Braven, A. den (2021). Fig. 2. Charlemagne’s palace at Nijmegen. Dorestad and its … , p 152 ↩︎