Categorie: Klimstorie wielrennen

Altijd historisch, bij tijden verantwoord, maar uitstekend op de hoogte en toch vlakbij? Klimstories uit ons binnenste buitenland en andersom.

  • De Valkhofheuvel: Van noordkaap naar zuidas, een gulden middenweg voor vroegmiddeleeuws Nijmegen

    https://doi.org/10.6084/m9.figshare.33263985

    Abstract

    Lees verder (2)

    Kreeg Nijmegen haar vroegmiddeleeuwse bloei cadeau van grote keizers zoals Karel de Grote, of ligt de werkelijkheid complexer? In dit artikel wordt de traditionele, paleis-centrische geschiedschrijving kritisch heroverwogen aan de hand van kwantitatieve analyses van 376 en 794 losse muntvondsten. De materiële data wijzen niet op top-down impulsen van de Karolingische palts, maar op een gelaagde transformatie binnen het rivierlandschap. Dankzij de hoge, stabiele Pleistocene ondergrond fungeerde de archeologisch residentieel luwe Valkhofheuvel na het Romeinse vertrek eerst als een episodische buitenpost (‘noordkaap’) binnen een stabiel transportnetwerk. Vanaf de zevende eeuw synchroniseert de lokale muntcirculatie met de grotere macro-economische golven van de Rijn-Maasdelta. De uiteindelijke schaalsprong naar een intensievere geldeconomie rond 1100 n.C. is nauw verbonden met de toenemende circulatie van Utrechtse valuta, waarmee de heuvel transformeerde in een vloeiend economisch knooppunt (‘zuidas’).

    Keywords: Valkhof Nijmegen, St. Nicolaaskapel, Barbarossaruïne, Karolingische palts, Rijn-Maasdelta, vroegmiddeleeuwse muntcirculatie, numismatiek, losse muntvondsten, vroege urbanisatie, polycentrische netwerken, post-Romeinse transitie 

    Introductie

    Wie de geschiedenis van vroegmiddeleeuws Nijmegen openslaat, stuit al snel op het traditionele succesverhaal van grote vorsten (Gorissen, 1956; Weve, 1993). Sinds de publicaties van historici zoals Friedrich Gorissen wordt algemeen aangenomen dat de bouw van de keizerlijke palts onder Karel de Grote de grote motor was achter de regionale economie (Gorissen, 1956). Maar klopt dat top-down model wel? Omdat schriftelijke bronnen uit de periode 450–1200 n.C. schaars zijn, tasten we vaak in het duister (Bloemers & Thijssen, 1990; Bloemers, 2016). Een recente, getrapte analyse met 376 losse muntvondsten uit de gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe, Tiel en Nijmegen vindt weinig ondersteuning voor deze ‘paleis-centrische’ visie (Duchateau, 2026a). De materiële data laten zien dat de ontwikkeling van vroeg- en volmiddeleeuwse nederzetting Nijmegen niet door soevereinen werd gedirigeerd, maar door drie structurele historische fasen binnen het rivierlandschap van de (oostelijke) Rijn-Maasdelta. 

    Methode

    Dataverzameling en steekproefselectie

    Om de vroeg- en volmiddeleeuwse middeleeuwse geschiedenis van Nijmegen te reconstrueren, is gebruikgemaakt van steekproeven van 376 en 794 losse muntvondsten uit de gehele Rijn-Maasdelta (Nederlandsche Bank, z.d.; Duchateau, 2026a–e; Figuur 1). Hieronder lichten we kort toe hoe deze gegevens zijn verzameld en gecontroleerd. De basis van dit onderzoek rust op het landelijke NUMIS-systeem van De Nederlandsche Bank (z.d.), waarin archeologische muntvondsten officieel worden geregistreerd. Begonnen is met een kern van 25 officiële vondsten uit het NUMIS-systeem (Trap 1; De Nederlandsche Bank, z.d.). Dit is via gemeentelijke opgravingsrapporten gecombineerd met grijze en/of oudere literatuur uitgebreid naar een intermediair cohort van 97 munten (Trap 2) en geactualiseerd naar de actuele Numismagus-dataset (Duchateau, 2026d), met 116 specifieke Nijmeegse muntvondsten uit de vroege en volle middeleeuwen (Trap 3). Het feit dat de statistische patronen bij alle trappen stabiel blijven gedurende deze stelselmatige uitbreiding van de steekproef van 25 naar 97 naar 116 losse muntvondsten (450–1200 n.C.) uit de gemeente Nijmegen, geeft aan dat de steekproeven betrouwbaar zijn en niet berusten op een toevallige selectie (Duchateau, 2026a; Tabel 1).

    Lees verder (2)

    Samenstelling en zuiverheid van de dataset 

    Bij het samenstellen van de Numismagus-dataset is waar mogelijk voorrang gegeven aan primaire opgravingsverslagen. Vondstregistraties van vóór circa 2015 vertonen soms administratieve beperkingen, omdat de digitale eenheid in landelijke registratiesystemen destijds nog in ontwikkeling was. Vage ambtelijke omschrijvingen (zoals ‘zilveren middeleeuws muntje’ of ‘opschrift onleesbaar, rond het jaar 1000’) zijn daarom met het oog op zekere determinatie geëxcludeerd. Bij het gebruik van latere synthesen is retrospectief gezocht naar onderliggende primaire rapportages. 

    Vóór de feitelijke inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (2006) op 1 september 2007 was deze documentatieketen echter niet wettelijk verplicht, waardoor verslagen uit deze ‘Malta-pioniersfase’ geregeld ontbreken in het publieke domein. Voorlopige gegevens uit recente opgravingen die een exacte vindplaatscontext missen, zijn op basis van sluitende basisspecificaties in de opgravingsberichten toch geïncorporeerd om de actuele representativiteit te waarborgen.

    Om de analytische uniformiteit te bewaken, zijn munten zonder sluitende geografische registratie binnen de moderne gemeentegrenzen expliciet uitgesloten. Tevens zijn evidente muntschatten en para-numismatische objecten (zoals muntbroches) uitgesloten om vertekening van de incidentele muntverliesfrequentie zoveel mogelijk te mitigeren. Het risico op dubbele rapportage (majoreren) is gemitigeerd door primair te leunen op ambtelijk afgetekende rapportages. Hoewel administratieve duplicaten bij de bron formeel niet volledig toetsbaar zijn, zijn alle records handmatig gecontroleerd via een kruislingse vergelijking van vondstnummers, contextomschrijvingen en fotomateriaal. Resterende foutmarges vallen binnen de bandbreedte van niet-systematische, menselijke vergissingen, waar de opeenvolgende sensitiviteitsanalyses statistisch voor corrigeren (Duchateau, 2026a, 2026e). 

    Statistische toetsing en gevoeligheidsanalyse 

    De kwantitatieve evaluatie van de Numismagus-dataset steunt op een robuuste gevoeligheidsanalyse op basis van kruistabellen, operationeel opgebouwd uit vijf complementaire statistische parameters. Ten eerste is het model getoetst via drie opeenvolgende schaalmodellen (Trap 1, 2 en 3), waarbij de Nijmeegse dataset stapsgewijs is uitgebreid van 25 naar respectievelijk 97 en 116 specifieke muntvondsten (Duchateau, 2026a). Deze sequentiële expansie fungeert als een empirische stresstest om te verifiëren of de geobserveerde historische circulatiepatronen stabiel standhouden bij de instroom van nieuwe archeologische velddata, dan wel statistisch gevoelig zijn voor individuele vondstlocaties. 

    Ten tweede meet de Pearson’s chi-kwadraattoets van onafhankelijkheid de globale statistische samenhang tussen de opeenvolgende chronologische muntcohorten en de geografische depositiezones van de vier participerende gemeenten. Deze toets aggregeert de gekwadrateerde afwijkingen tussen de empirisch waargenomen celwaarden en de theoretisch verwachte frequenties, gedeeld door de verwachte frequentie per matrixcel, om de totale afwijking uit te drukken in een eenduidige teststatistiek. 

    Ten derde zijn cel-specifieke gestandaardiseerde residuen (ASR) berekend om de exacte lokale afwijkingen binnen de kruistabel te lokaliseren. Dit maakt het mogelijk om specifieke archeologische anomalieën, zoals de significante monetaire oververtegenwoordiging in Nijmegen tijdens de post-Romeinse transitie tussen 450 en 600 n.C., statistisch te isoleren van de achtergrondruis. 

    Ten vierde is een sequentiële Holm-Bonferroni-correctie toegepast op de berekende p-waarden om het cumulatieve risico op type I-fouten (toevalstreffers als gevolg van meervoudig toetsen) te beheersen. Waar een klassieke Bonferroni-correctie de nominale significantiedrempel (𝛼 = 0,05; een kans van 1 op 20) rigide deelt door het totale aantal matrixcellen (20 cellen → 0,05 / 20 = 0,0025; een drempelkans van 1 op 400), hanteert de Holm-methode een stapsgewijze benadering. Hierbij worden de individuele p-waarden in oplopende volgorde gerangschikt, waarbij de kleinste p-waarde de zwaarste correctie ondergaat (0,05 / 20), waarna de opeenvolgende p-waarden telkens tegen een lineair dalende straffactor worden getoetst (0,05 / 19, 0,05 / 18, etcetera). 

    Ten vijfde fungeert Cramér’s V als maatstaf voor de effectgrootte om de genormaliseerde sterkte van de interregionale economische verschillen binnen het deltalandschap uit te drukken op een schaal van 0 tot 1 (Duchateau, 2026a, 2026e; Tabel 2).

    St. Nicolaaskapel

    • St. Nicolaaskapel

    Resultaten

    Lees verder (4)

    Figuur 1 

    Geografische spreiding van de vier delta-kwadranten in de Rijn-Maasdelta, gevisualiseerd via GPS Visualizer (z.d.) (https://gpsvisualizer.com) naar Duchateau (2026a, 2026b): noordwest (Utrecht en Buren), zuidwest (West Betuwe en Zaltbommel, noordoost (Neder-Betuwe en Overbetuwe) en zuidoost (Tiel en Nijmegen)

    Figuur 1

    Tabel 1 

    Absolute en procentuele chronologische samenstelling van de losse middeleeuwse muntvondsten in Nijmegen over de drie opeenvolgende steekproeftrappen (Trap 1-3) en de oostelijke rivierdelta (Neder-Betuwe, Overbetuwe, Tiel en Nijmegen) tussen 450 en 1200 n.C. (naar Duchateau, 2026a; N = 376)

    Tijdvak Trap 1: 𝑁 = 25 Trap 2: 𝑁 = 97 Trap 3: 𝑁 = 116 Delta: 𝑁 = 376 
    450–600 n.C.4 (16,0%)9 (9,3%)9 (7,8%)11 (2,9%)
    600–750 n.C.7 (28,0%)19 (19,6%)19 (16,4%)85 (22,6%) 
    750–900 n.C.7 (28,0%)22 (22,7%)25 (21,6%)77 (20,5%)
    900–1050 n.C.3 (12,0%)18 (18,6%)22 (19,0%)78 (20,7%)
    1050–1200 n.C.4 (16,0%)29 (29,9%)41 (35,3%)125 (33,2%)
    450–1200 n.C.25 (100%)97 (100%)116 (100%)376 (100%)

    Tabel 2

    Chronologische gelijkmatigheid per delta-kwadrant (naar Duchateau, 2026b; N = 794).  De indeling toont een scherp statistisch contrast tussen de Holocene westelijke rivierdelta (noordwest en zuidwest: ‘gepiekt’) en de oostelijke rivierdelta met haar minder diep gelegen (< 5 m) Pleistocene ondergrond (noordoost en zuidoost: ‘gebalanceerd’)

    Delta-kwadrantSD (%)Shannon-entropieCosinus-gelijkenisClassificatie
    Noordwest20,191,63.70Gepiekt
    Zuidwest20,081,66.71Gepiekt
    Noordoost9,952,03.90Gebalanceerd
    Zuidoost10,332,11.89Gebalanceerd

    Figuur 2

    Procentuele chronologische samenstelling van de losse middeleeuwse muntvondsten in Nijmegen over de drie opeenvolgende steekproeftrappen (Trap 1-3) en de oostelijke rivierdelta (Neder-Betuwe, Overbetuwe, Tiel en Nijmegen) tussen 450 en 1200 n.C. (naar Duchateau, 2026a; N = 376)

    Discussie

    Verlaten ‘noordkaap’ (450–600 n.C.) 

    Na het vertrek van de Romeinse legioenen voltrok zich in Nijmegen een opmerkelijke paradox. Grote nederzettingsarcheologische opgravingen in de oude stadskern tonen aan dat er sprake was van een scherpe daling in de archeologische zichtbaarheid van binnenstedelijke bewoningsstructuren en een mogelijke breuk in de continuïteit van de bewoning (Bloemers & Thijssen, 1990; Bloemers, 2016; Van Enckevort et al., 2017). Tegelijkertijd laat de statistische analyse van muntvondsten uit deze vroege periode juist een opmerkelijke piek in muntverliezen zien, een trend die stabiel blijft over de verschillende steekproeftrappen (Duchateau, 2026a; Figuur 2).

    Hoe kon een locatie zonder stabiele huizen toch zoveel geld aantrekken? Het antwoord ligt in de fysieke geografie. Nijmegen profiteerde direct van haar ligging nabij de verhoogde Pleistocene stuwwal langs de Waal (Wageningen Environmental Research, 2023). Terwijl het laaggelegen, Holocene westen van de delta voortdurend teisterde onder overstromingen en verschuivende riviergeulen, bood dit zandige substraat langdurige bescherming (Cohen et al., 2009; Pierik & van Lanen, 2019). De heuvel fungeerde in deze eeuwen mogelijk als de noordelijke spil (‘noordkaap’) van een stabiel transportnetwerk over de hogere zandgronden en rivierduinen, dat via Wijchen, Cuijk en Gennep mogelijk rechtstreeks verbonden was met Maastricht en het Merovingische kerngebied meer naar het zuiden (Brüggler et al., 2014; Hendriks et al., 2014; Hendriks & den Braven, 2015; Van Enckevort et al., 2017).

    Lees verder (2)

    Centrale marktwerking (600–1050 n.C.)

    Rond het jaar 600 veranderde de ruimtelijke dynamiek ingrijpend. Nijmegen integreerde sterker vanuit haar positie als buitenpost en raakte macro-economisch sterker verbonden met het omliggende rivierenlandschap (Duchateau, 2026a). Zodra de database groeit naar grotere volumes, mede dankzij de nog niet gepubliceerde opgravingen bij de Winkelsteeg en het Mercuriuspark, zien we dat valuta vloeiend en gelijkmatig door de hele regio stroomde (Duchateau, 2026a, 2026d). 

    De meest verrassende ontdekking in deze fase is dat de daaropvolgende Karolingische en Ottoonse horizonten geen afwijkende kwantitatieve piek in de muntcirculatie laten zien (Den Braven, 2014, 2021). De feitelijke aanwezigheid van de keizerlijke palts veranderde de grotere economische frictie van het landschap niet (Den Braven, 2021). De data tonen aan dat de palts op de Valkhofheuvel niet functioneerde als een gecentraliseerd, herverdelend marktknooppunt, maar primair als een symbolische en logistieke pleisterplaats binnen een reizend koninklijk netwerk — een beeld dat recentelijk is bevestigd door stratigrafische analyses en afvalonderzoek (Van Enckevort, 2021). De elitaire architectuur diende om macht te projecteren, maar bleef economisch gezien lokaal van aard (Mekking, 1997; Verhoeven, 2021). De geleidelijke gelijktrekking van de muntcirculatie in de Rijn-Maasdelta vanaf 750 n.C. weerspiegelt eerder een monetaire integratie van gelijkwaardige knooppunten, dan een centraal gestuurde paltseconomie met daaraan ondergeschikte knooppunten (Duchateau, 2026b–c; Naismith, 2023). 

    De kerkelijke ‘zuidas’ (1050–1200 n.C.)

    Gefundeerd op deze stabiele, hoger gelegen zandgrond vond de werkelijke transitie naar een intensievere, regionale geldeconomie plaats tijdens de volmiddeleeuwse transformatie tussen 1100 en 1150 n.C. (Duchateau, 2026a). Verrassend genoeg werd deze sprong voorwaarts niet geïnitieerd door de bekende keizer Frederik Barbarossa, wiens grootschalige bouwhistorische uitbreidingen aan de burcht en de ruïne pas later in de twaalfde eeuw plaatsvonden (Hundertmark, 2019; Kloosterman, 2024).

    De muntdata wijzen erop dat het Prinsbisdom Utrecht nauw verweven was met deze monetaire integratie (Mekking, 1996; Van der Chijs, 1859). In deze periode duikt er plotseling een overschot aan bisschoppelijke munten op (Van der Chijs, 1859). Omdat deze munten zonder statistische afwijkingen gelijkmatig over de hele deltaregio verspreid liggen, poneren we hier de hypothese van ‘synchrone monetarisering’: haakten de Utrechtse prins-bisschoppen pragmatisch in op de bestaande transportdynamiek en de groeiende handelsbetekenis van de Waal-corridor (Duchateau, 2026a, Pierik, 2021)? Of weerspiegelt dit patroon louter een passieve, marktgestuurde verspreiding via rurale handelsnetwerken? Het blootleggen van de precieze causaliteit tussen bisschoppelijke institutionele strategie en de lokale economische groei rond het Valkhof blijft een van de meest uitdagende openstaande vragen binnen het huidige numismatische debat.

    Waalbrug

    • Waalbrug

    Aanbevelingen

    Antwoorden op historische controverse

    De genormaliseerde muntdata werpen een verhelderend licht op de felle controverse tussen twee historische ‘profeten’ van de stadsontwikkeling: Friedrich Gorissen (1956) en Albert Delahaye (1958). Decennialang gold Gorissens paleis-centrische succesverhaal als onwrikbaar, terwijl Delahayes stelling dat de Valkhofheuvel in de vroege middeleeuwen een archeologische leegte was, buiten de wetenschappelijke consensus viel. Hoewel Delahaye (1958) vroegmiddeleeuws Nijmegen ten onrechte in zijn geheel naar Noord-Frankrijk verplaatste, vertoont een aanzienlijk deel van zijn chronologische observaties opmerkelijke overeenkomsten met de materiële data uit de Numismagus-dataset.

    Lees verder (2)
    • 450–600 n.C.: In deze post-Romeinse transitie weerspiegelden de muntverliezen in de gemeente Nijmegen een vroege, centrale functie (Duchateau, 2026a; Hendriks & den Braven, 2015). Gorissen ging hiervan uit, terwijl Delahaye elke laat- en post-Romeinse activiteit of bewoning ten onrechte ontkende.
    • 600–750 n.C.: De Valkhofheuvel gaf geen blijk van enige bewoning (Bloemers, 2016). De werkelijke sociaaleconomische activiteit concentreerde zich in de benedenstad rond de Smidstraat (cf. Bloemers, 2016), wat aansloot bij Delahayes scepsis over de vroege bewoning van de heuvel.
    • 750–900 n.C.: De aanwezigheid van de palts onder Karel de Grote veroorzaakte geen marktsignaal (Den Braven, 2021). Delahayes constatering dat deze palts economisch lokaal van aard was en geen permanent macro-economisch knooppunt vormde, blijkt statistisch volkomen juist (cf. Theuws & den Braven, 2025).
    • 900–1050 n.C.: Ook in de Ottoonse periode bleef een aanmerkelijke economische intensivering uit (Den Braven, 2014). Wel werd Delahayes bewering dat de St. Nicolaaskapel onmogelijk Karolingisch kon zijn bouwhistorisch bewaarheid; de bouw stamt pas uit de 11e eeuw (Mekking, 1996; Perlich & van Tussenbroek, 2008).
    • 1050–1200 n.C: Ook met betrekking tot de volmiddeleeuwse transitie is er een scherp historiografisch contrast. Gorissen linkte de bloei aan Barbarossa’s burchtbouw rond 1155 (cf. Hundertmark, 2019), terwijl de muntdata een reeds decennia eerder begonnen monetaire versnelling laten zien (Duchateau, 2026a; Van der Chijs, 1859). Delahaye bepleitte een organisch groeiende riviernederzetting passend bij dit patroon.

    Vragen voor toekomstig onderzoek

    De kwantitatieve verschuivingen in de muntcirculatie lossen niet elk historisch raadsel op; ze leggen juist de vinger op een aantal hardnekkige archeologische en bouwhistorische kwesties rondom de Valkhofheuvel en de Waalkade. Om het netwerkmodel in de toekomst scherper te kunnen toetsen, kunnen de volgende concrete vragen behulpzaam zijn:

    • Een verdwenen nederzetting aan de Waalkade (450–600 n.C.): Lag de vroege bewoning die de post-Romeinse muntpiek veroorzaakte oorspronkelijk op een Pleistocene oeverwal die naderhand door de Waal is geërodeerd? Is het gebrek aan binnenstedelijke bewoningssporen simpelweg te verklaren door deze rivierdynamiek (cf. Willemse, 2019)? 
    • De aard en omvang van de Smidstraat (600–750 n.C.): Vormde de vroegmiddeleeuwse bewoning rondom de Smidstraat in de benedenstad het werkelijke sociaaleconomische zwaartepunt van Nijmegen? Hoe verhoudt deze actieve bewoningsas zich precies tot de schijnbare residentiële leegte op de Valkhofheuvel zelf (cf. Bloemers & Thijssen, 1990; Bloemers, 2016)? 
    • De bouwheer van de St. Nicolaaskapel (1050–1200 n.C.): Wie was de werkelijke bouwheer van de kapel? Steunt het geobserveerde overschot aan Utrechtse munten vanaf pakweg 1100 n.C. de theorie dat we hier naar een Utrechtse bisschoppelijke kerkstichting kijken in plaats van een keizerlijke (cf. Mekking, 1996; Van der Chijs, 1859)? 

    Conclusie

    De wiskundige verkenning van de numismatische data nodigt uit tot een ingrijpende herziening van de traditionele biografie van Nijmegen (Duchateau, 2026a). In plaats van een top-down model waarin een keizerlijke palts eigenhandig de stedelijke bloei creëerde, ondersteunen de muntvondsten een model van langdurige landschapspersistentie (Duchateau, 2026b–c). Dankzij haar stabiele, hoge fundament bleef de Valkhofheuvel eeuwenlang de betrouwbare, geografische ruggengraat van menselijke activiteit en handel in de delta (Loveluck, 2013). Het zijn niet de individuele soevereinen, maar de geografie en de regionale netwerken die de vroege bewoningsgeschiedenis van Nijmegen hebben bepaald. De geformuleerde open vragen rondom de geërodeerde Waalkade, de bewoning rond de Smidstraat en de institutionele oorsprong van de St. Nicolaaskapel fungeren hierbij niet als losse raadsels, maar als de concrete empirische toetsstenen voor dit nieuwe, polycentrische netwerkmodel.

    Lees verder (1)
    • Dankwoord: Tijdens de voorbereiding van dit manuscript heeft de auteur gebruikgemaakt van Google Gemini (LLM) als academische schrijfcoach. Alle voorstellen zijn door de auteur kritisch gecontroleerd, bewerkt en goedgekeurd; de auteur draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud. 
    • Belangenverstrengeling: De auteur verklaart geen belangenverstrengeling te hebben.

    Referenties

    Lees verder (34)

    Bloemers, J. H. F. (2016). Four approaches to the analysis of (Pre-)Roman Nijmegen: Aspects of cultural evolution, acculturation, contextual function and continuity (Nederlandse Oudheden Vol. 19). Cultural Heritage Agency of the Netherlands.

    Bloemers, J. H. F., & Thijssen, J. R. A. M. (1990). Facts and reflections on the continuity of settlement at Nijmegen between AD 400 and 750. In J. C. Besteman, J. M. Bos, & H. A. Heidinga (Eds.), Medieval archaeology in the Netherlands (Studies in Prae- and Protohistorie Vol. 4, pp. 133-148). Van Gorcum.

    Brüggler, M., Rehren, T., & Klages, C. (2014). Burgus und Glaswerkstatt der Spätantike bei Goch-Asperden. Bonner Jahrbücher, 214, 71–134. https://doi.org/10.11588/bjb.2014.0.59866

    Cohen, K. M., Stouthamer, E., Hoek, W. Z., Berendsen, H. J. A., & Kempen, H. F. J. (2009). Zand in banen: Zanddieptekaarten van het rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland.

    Delahaye, A. (1958). Het mysterie van de Keizer Karelstad. Winants.

    De Nederlandsche Bank. (z.d.). NUMIS: Numismatisch Informatie Systeem. Geraadpleegd op 30 mei 2026, van https://www.denieuweschatkamer.nl/geldcollectie/

    Den Braven, J. A. (2014). Karolingisch Nijmegen: De palts en zijn omgeving. Jaarboek Numaga, 61, 20-39.

    Den Braven, J. A. (2021). Charlemagne’s palace at Nijmegen: Some thoughts on the economic implications of itinerant kingship. In A. Willemsen & H. Kik (Eds.), Dorestad and its networks: Communities, contact and conflict in early medieval Europe (pp. 149–157). Sidestone Press.

    Duchateau, R. J. (2026a). Multi-stage sensitivity analysis of single coin finds: Challenging central-place models in the early and high medieval Rhine-Meuse delta. Archaeological Discovery, 14(3), 240-251. https://doi.org/10.4236/ad.2026.143013

    Duchateau, R. J. (2026b). Single-coin finds and chronological evenness in the Rhine–Meuse delta (450–1200 CE) [Preprint]. Knowledge Commons. https://doi.org/10.17613/rs6ha-mx518

    Duchateau, R. J. (2026c). Single-coin finds and landscape persistence in the early medieval Netherlands (450–1200 CE) [Preprint]. Knowledge Commons. https://doi.org/10.17613/dpqmb-6na68

    Duchateau, R. J. (2026d). Nijmegen coinage 450–1200 CE: The Numismagus dataset (Version 2) [Dataset]. Figshare. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.32486373

    Duchateau, R. J. [Upbergen]. (2026e, 27 juli). Nijmegen en Central-Place theorie in Archaeological Discovery, 14 [Online forumbericht]. Nifterlaca. https://www.nifterlaca.nl/read.php?3,25524

    GPS Visualizer. (z.d.). GPS Visualizer [Webapplicatie]. Geraadpleegd op 15 augustus 2026, van https://gpsvisualizer.com

    Gorissen, F. (1956). Stede-atlas van Nijmegen (Werken van Gelre Vol. 29). Quint & Brouwer.

    Hendriks, J., den Braven, J. A., van Enckevort, H., & Thijssen, J. R. A. M. (2014). Een noordelijk steunpunt: Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief. In H. Peterse, D. Verhoeven, R. Camps, R. Klein, B. Kruijsen, J. Kuys, M. Nicasie, & M. Smit (Eds.), Het Valkhof. 2000 jaar geschiedenis (pp. 43-71). Vantilt.

    Hendriks, J., & den Braven, J. A. (2015). Nijmegen vóór Karel de Grote: Kanttekeningen bij de bewoningscontinuïteit van de oudste stad. Archeobrief, 19, 8-15.

    Hundertmark, H. F. G. (2019). De Valkhofburcht: Bouwhistorische verkenning Barbarossaruïne. Gemeente Nijmegen—Afdeling Stadsontwikkeling.

    Kloosterman, R. P. J. (2024). Archeologisch onderzoek langs de westelijke ringmuur van de burcht op het Valkhof, gemeente Nijmegen: Een proefsleuvenonderzoek (Archeologische Berichten Nijmegen—Rapport 121). Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie en Bodemkwaliteit. https://doi.org/10.17026/AR/MKMNII

    Loveluck, C. (2013). Northwest Europe in the Early Middle Ages, c. AD 600–1150: A comparative archaeology. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9781139794725

    Mekking, A. J. J. (1996). De Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof te Nijmegen: Patrocinia, functie, voorbeeld en betekenis (Nijmeegse Studieën Vol. 18). Gemeentearchief/Publieksdienst, Gemeente Nijmegen.

    Mekking, A. J. J. (1997). Palas, Troonabsis en ‘Camara Santa’. De zogenaamde Sint Maartenskapel op het Valkhof te Nijmegen. Bulletin KNOB, 96, 103-122.

    Naismith, R. (2023). Making money in the Early Middle Ages. Princeton University Press.

    Perlich, B., & van Tussenbroek, G. (2008). De Valkhofkapel te Nijmegen: Nieuwe gegevens over de middeleeuwse bouwgeschiedenis. Bulletin KNOB, 107, 90-100. https://doi.org/10.7480/knob.107.2008.3.174

    Pierik, H. J. (2021). Landscape changes and human–landscape interaction during the first millennium AD in the Netherlands. Netherlands Journal of Geosciences, 100, e11. https://doi.org/10.1017/njg.2021.8

    Pierik, H. J., & Van Lanen, R. J. (2019). Roman and early-medieval habitation patterns in a delta landscape: The link between settlement elevation and landscape dynamics. Quaternary International, 501(Pt B), 379–392. https://doi.org/10.1016/j.quaint.2017.03.010

    Theuws, F. C. W. J., & den Braven, J. A. (2025). How did aristocrats live in Merovingian and (early) Carolingian times in Northern Gaul? An archaeological enigma: With some remarks on the royal seat in Nijmegen. In M. Gierszewska-Noszczyńska, O. Grimm, & L. Grunwald (Eds.), Frankish seats of power and the North: Centres between diplomacy and confrontation, transfer of knowledge and economy (pp. 153–182). https://doi.org/10.11588/propylaeum.1681.c24452

    Van der Chijs, P. O. (1859). De munten der Bisschoppen, van de Heerlijkheid en de stad Utrecht: Van de vroegste tijden tot aan de pacificatie van Gend. Teylers Tweede Genootschap.

    Van Enckevort, H. (2021). Scherven en botten aan de voet van de noordwestelijke helling van de Valkhofheuvel (Archeologische Berichten Nijmegen Rapport 102). Bureau Archeologie en Bodemkwaliteit gemeente Nijmegen.

    Van Enckevort, H., Hendriks, J., & Nicasie, M. (2017). Nieuw licht op donkere eeuwen: De overgang van de laat-Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen in Zuid-Nederland (Nederlandse Archeologische Rapporten 58). Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. https://doi.org/10.17026/DANS-XWZ-6Y5B

    Verhoeven, M. C. J. (2021). Van Constantinopel naar Nijmegen: Theophanu en ‘Byzantijnse’ architectuur in Ottoonse residenties. Ex Tempore, 40, 10–27. 

    Wageningen Environmental Research. (2023). Geomorfologische kaart van Nederland (v2023-01). Basisregistratie Ondergrond (BRO).

    Wet op de archeologische monumentenzorg. (2006). Wet van 21 december 2006 tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta. Geraadpleegd op 15 augustus 2026, via https://wetten.overheid.nl/BWBR0021162/

    Weve, J. J. (1993). De Valkhofburcht te Nijmegen: Een alsnog-uitgave van het manuscript uit 1925. Gemeentearchief Nijmegen. 

    PDF-versie

  • Carolus Mediocris: Van donjon naar balkon en van Duurstede naar Waterkwartier

    https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31817236

    Inleiding

    Dit artikel gebruikt losse muntvondsten als waardevolle, maar imperfecte indicator voor economische activiteit en muntcirculatie. Het biedt een herwaardering van het traditionele beeld van Nijmegen en Dorestad als imposante Karolingische machtscentra. In plaats daarvan worden beide plaatsen gezien als flexibele, strategische knooppunten in een dynamisch riviernetwerk. Het doel is niet om bestaande mythen af te breken, maar om ze constructief te nuanceren. De Karolingische periode wordt hier realistischer en pragmatischer belicht. Karel de Grote verschijnt niet als bouwer van monumentale paleizen, maar als innovatieve analog nomad — Carolus Mediocris.

    Lees verder (1)

    Uitgangspunten

    Dit artikel is gebaseerd op de volgende kernpremissen:

    1. Data:
      Losse muntvondsten uit de NUMIS-database vormen een nuttige, hoewel imperfecte, proxy voor economische activiteit en muntcirculatie in de periode 450–1200 n. Chr. (De Nederlandsche Bank, n.d.; Duchateau, 2026a–2026d).
    2. Nijmegen:
      De spreiding van 116 (voorheen 97) losse munten en de bescheiden archeologische resten op het Valkhof tonen geen duidelijke piek in de Karolingische tijd, in tegenstelling tot het dominante Keizerstad-verhaal.
    3. Dorestad:
      Dorestad bereikt zijn hoogtepunt in de Merovingische periode (600–750 n. Chr.). Tijdens de Karolingische periode (750–900 n. Chr.) is er geen bloei, maar stagnatie, gevolgd door een sterke neergang na 900 n. Chr.
    4. Machtsstructuur:
      Karolingische macht is in de eerste plaats mobiel en netwerkgericht. Het Valkhof fungeert waarschijnlijk eerder als strategisch “balkon” aan de noordzijde van de Rijn- Rhône-as dan als vaste residentie.
    5. Mystificatie:
      Nationale-romantische voorstellingen uit de negentiende en twintigste eeuw hebben een beeld van grootsheid gecreëerd dat de bescheiden materiële werkelijkheid overstijgt.
    6. Carolus Mediocris:
      Karel de Grote voert een pragmatisch bestuur als low-tech technocraat en ‘analog nomad’, dat voldoende heeft aan functionele, flexibele locaties binnen een mobiel machtssysteem.
    7. Academische hygiëne:
      Dit artikel kan het beste worden gelezen in combinatie met recente wetenschappelijke literatuur. De publicatie van Delahaye (1958) is wel degelijk en uitgebreid peer-reviewed, alleen nauwelijks positief, dat is wat anders.
    8. Empirische erkenning:
      Belangrijke opgravingen en vondsten in Dorestad en Nijmegen worden niet ontkend. Beide locaties zijn significant, maar op een meer vloeiende en praktische wijze dan traditioneel wordt voorgesteld.
    9. Ideologische neutraliteit:
      Zowel historische als hedendaagse interpretaties van Karel de Grote en de Karolingische periode zijn nooit waardenvrij (beïnvloed door nationale romantiek, Europese identiteitspolitiek en andere factoren).
    10. AI-bijdrage:
      Kunstmatige intelligentie (Grok, xAI) levert ondersteunende bijdragen bij data-analyse, statistische verwerking, structurering en taalredactie. De auteur heeft alle gegenereerde output kritisch beoordeeld en draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud.

    De Keizerstad-mythe

    Nijmegen profileert zich al generaties lang als trotse Keizerstad (Delahaye, 1958). Het Valkhof staat bekend als indrukwekkende Karolingische residentie, waar Karel de Grote Paasfeesten vierde met uitzicht over de Waal. De archeologie vertelt echter een ander verhaal: mogelijk hergebruikte Romeinse fundamenten, bescheiden muurwerk, enig aardewerk en één kapiteel (Theuws & den Braven, 2025). Eerder bouwhistorisch onderzoek aan de Barbarossaruïne (St. Maartenskapel) suggereert muurwerk uit circa 775–800 n. Chr. Metselverbanden en profileringen zouden kunnen wijzen op een bescheiden troonzaal (Hundertmark, 2019). Deze resten zijn echter beperkt en kunnen ook duiden op later hergebruik van Romeinse restanten, bijvoorbeeld in Ottoonse, Salische of Staufische tijd. Directe archeologische aanwijzingen voor een groot Karolingisch complex ontbreken, waardoor het raadsel nog niet is opgelost.

    Lees verder (2)

    Het Nijmeegse muntbeeld

    Een aanvullende manier om hiernaar te kijken is het vaststellen van de in Nijmegen gevonden munten uit de vroege en volle middeleeuwen (450–1200 n. Chr.). Voor dit doel is een dataset samengesteld, die nu 116 reeds gedocumenteerde losse munten bevat (Duchateau, 2026a). Schatvondsten zijn hierin niet meegenomen, omdat deze minder zeggen over muntcirculatie. De munten kennen een redelijk gelijkmatige chronologische spreiding over vijf perioden van 150 jaar, met een toename in de latere periode 1050–1200 n. Chr. (Figuur 2). Gezien de culturele en economische opleving tijdens de Karolingische renaissance (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008) zou men bij een intensief gebruikt koninklijk centrum op het Valkhof een duidelijke toename in Nijmeegse muntvondsten verwachten vanaf de periode 750–900 n. Chr (Figuur 3).

    De Valkhof-paradox

    De Valkhof-paradox ontstaat door het enorme verschil tussen de historische vermeldingen en de materiële resten en nodigt uit tot een cognitieve herwaardering (Duchateau, 2026b). De Karolingers kennen een bedrijfsvoering waarin vastgoed ondergeschikt blijft aan mobiele netwerken (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008). Een andere oorzaak van de Valkhof- paradox kan de volgende tweedeling zijn: centraal regeren, maar lokaal besturen, waarbij wetten en verordeningen centraal worden opgesteld, maar lokaal worden uitgevoerd. In dit systeem bezorgen koninklijke boodschappers de regelgeving aan de graven, die deze vervolgens op maat maken voor hun gebied. Zo ontstaat in de teksten een beeld van sterke centrale (papieren) macht, terwijl de (materiële) werkelijkheid ter plaatse vaak bescheiden en praktisch blijft (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008; Wickham, 2005). Ter controle onderhouden de Karolingen een mobiele hofhouding en reizen in persoon naar de verschillende locaties. Nijmegen fungeert dan niet als vaste residentie, maar als strategische pleisterplaats in een netwerk van koninklijke bestuursrelaties (Wickham, 2005).

    Balkon Belvédère

    • Balkon Belvédère

    De Rijn-Rhône-as

    Deze beschreven netwerkstrategie komt het duidelijkst tot uiting op de Rijn-Rhône-as: een vitale noord-zuidverbinding van de Noordzee via de Rijn-vallei naar de Rhône-vallei en de Middellandse Zee. Goederen en mensen bewegen in beide richtingen. Macht ligt in het controleren van handelsstromen en dat gebeurt niet enkel vanachter een centrale schrijftafel (Loveluck, 2013; Wickham, 2005). De hoogte van het Valkhof vormt een van de laatste noordelijke punten van Rijn-Rhône-as met aaneengesloten vaste grond onder de voeten (Cohen et al., 2009; Van Dinter et al., 2017). Aangezien meerdere kleine knooppunten meer flexibiliteit bieden dan enkele grote residenties op afstand (Loveluck, 2013; Theuws, 2026; Wickham, 2005), lijkt het Valkhof bedoeld als springplank richting de handelsstromen van de Rijn-Maas-delta.

    Lees verder (1)

    Emporia en handel

    Op de kruising tussen Frankische, Angelsaksische en Deense invloedssferen is in de Rijn-Maas-delta het emporium Dorestad opgekomen (Loveluck, 2013; Theuws, 2019, 2026). De handel van Dorestad berust op drie arbeidsintensieve bewerkingen (Tabel 1). Ruwe wol uit de Britse eilanden wordt ter plaatse gewassen, gesponnen en geweven, waarna de stoffen worden uitgevoerd naar zowel Jutland als het Rijnland. Ruwe amber en been uit Jutland worden verwerkt tot kralen en kammen en uitgevoerd naar de Britse eilanden en het Rijnland. Wijn uit het Rijnland wordt vrijwel uitsluitend overgeslagen naar dezelfde twee importeurs (Van Es & Verwers, 1980; Willemsen, 2009). De toegevoegde waarde van Dorestad beperkt zich daarmee tot het wassen, spinnen en weven van wol, het snijden, boren en rijgen van amber en been, en het sjouwen van wijn.

    Balkon St. Nicolaaskapel

    • Balkon St. Nicolaaskapel

    De Rijn-Maas-delta

    Uit de analyse van losse munten uit NUMIS blijkt dat al deze economische activiteit van Dorestad tijdens de Karolingische periode (750–900 n. Chr.) vooral ten koste gaat van het emporium Domburg (kustcluster), terwijl Westergo en Oostergo (wadcluster) relatief sterk blijven (De Nederlandsche Bank, n.d.; Duchateau, 2026b–d; Figuren 1 en 3, Bijlage A). Het relatief egale muntpatroon binnen de Rijn-Maas-delta (riviercluster) suggereert dat de resterende handelsactiviteit van Dorestad vanaf de Ottoonse periode (900–1050 n. Chr.) wordt overgenomen door drie waterkwartieren: Zaltbommel (Waal, Zuidwest), Deventer (IJssel, Noordoost) en Tiel (Waal, Zuidoost) (Bijsterveld & Theuws, 2012; Kosian et al., 2015; Oudhof et al., 2013; Van Benthem, 2020; Figuur 3). Dorestad (Wijk bij Duurstede en Buren) kent een groot aantal losse muntvondsten uit de periode 750–900 n. Chr. en veel restanten van adaptieve houtbouw, maar net als in Nijmegen, ontbreken ook hier de resten van duurzame stenen constructies (Bradtmöller et al., 2017; De Nederlandsche Bank, n.d.; Van Es & Verwers, 1980; Figuur 3). Opvallend is verder dat het wadcluster in de post-Romeinse periode (450–600 n. Chr.) relatief veel munten laat zien, terwijl het riviercluster van de Rijn-Maas-delta pas vanaf de Ottoonse, Salische en Staufische tijdvakken (900–1200 n. Chr.) definitief de monetaire leiding neemt, alhoewel de volumes eerst halveren en daarna langzaam terugveren, maar tot 1200 n. Chr. niet meer op het niveau komen van de ogenschijnlijke bloeiperiode van 600–750 n. Chr. (De Nederlandsche Bank, n.d.; 2026b–d; Figuren 3 en 4, Bijlage A).

    Lees verder (1)

    Carolus Mediocris

    Zowel in Nijmegen als in Wijk bij Duurstede vullen historische verhalen aan wat de bodemschatten niet kunnen bieden of tegenspreken. Gorissen (1956) versterkt het beeld van Nijmegen als een continue keizerlijke residentie, terwijl Delahaye (1958) betoogt dat veel vermeldingen van Noviomagus eigenlijk naar het Franse Noyon verwijzen, waardoor het narratief zuidwaarts verschuift. Anderen verklaren de bescheiden archeologie van beide plaatsen juist vanuit het nomadische beheersmodel van de Karolingen (Wickham, 2005). De monetaire geschiedenis laat zich in dit kader beter begrijpen als het resultaat van een berekenende reorganisatie dan als een baanbrekende Karolingische renaissance. In dit licht verdient Karel de Grote de typering Carolus Mediocris, ofwel Karel Modaal, de man die op het oog voldoende heeft aan een stevig balkon boven het waterkwartier. Deze gedachtegang is trouwens helemaal niet zo vreemd als deze op het eerste gezicht lijkt, wanneer men zich bedenkt dat Karel de Grote uiteindelijk niet afstamt van een koninklijke, maar van een ambtelijke dynastie.

    Referenties

    Lees verder (25)

    Bijsterveld, A-J. A., & Theuws, F. C. W. J. (2012). Vroege stadswording in Nederland: Een Romeinse erfenis, Karolingische impulsen en een stroomversnelling in de twaalfde eeuw. In E. Taverne, L. de Klerk, B. A. M. Ramakers, & S. Dembski (Eds.), Nederland stedenland: Continuïteit en vernieuwing (pp. 91–107). nai010.

    Bradtmöller, M., Grimm, S., & Riel-Salvatore, J. (2017). Resilience theory in archaeological practice – An annotated review. Quaternary International, 446, 3–16. https://doi.org/10.1016/j.quaint.2016.10.002

    Cohen, K. M., Stouthamer, E., Hoek, W. Z., Berendsen, H. J. A., & Kempen, H. F. J. (2009). Zand in banen: Zanddieptekaarten van het rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland.

    Costambeys, M., Innes, M., & MacLean, S. (2011). The Carolingian world. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511973987

    Coupland, S. (2025). Dorestad and the North: Frankish connections to Scandinavia. In M. Gierszewska-Noszczyńska, O. Grimm, & L. Grunwald (Eds.), Frankish seats of power and the North: Centres between diplomacy and confrontation, transfer of knowledge and economy (pp. 205–216). Propylaeum. https://doi.org/10.11588/propylaeum.1681.c24454

    De Nederlandsche Bank. (n.d.). NUMIS: Numismatisch Informatie Systeem [Database]. Retrieved May 15, 2026, from https://www.denieuweschatkamer.nl/

    Delahaye, A. (1958). Het mysterie van de Keizer Karelstad. Winants.

    Duchateau, R. J. (2026a). Nijmegen coinage 450–1200 CE: The Numismagus dataset (Version 2) [Dataset]. Figshare. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.32486373

    Duchateau, R. J. (2026b). Nijmegen coinage 450–1200 CE collection [Collection]. Figshare. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.c.8386102

    Duchateau, R. J. (2026c). Single-coin finds and landscape persistence in the early medieval Netherlands (450–1200 CE). Knowledge Commons. https://doi.org/10.17613/wwag2-h9235 

    Duchateau, R. J. (2026d). Single-coin finds and chronological evenness in the Rhine–Meuse delta (450–1200 CE). Knowledge Commons. https://doi.org/10.17613/1p8c6-ddz94

    Gorissen, F. (1956). Stede-atlas van Nijmegen (Werken van Gelre – Vol. 29). Quint & Brouwer.

    Hundertmark, H. F. G. (2019). De Valkhofburcht: Bouwhistorische verkenning Barbarossaruïne. Gemeente Nijmegen – Afdeling Stadsontwikkeling.

    Kosian, M. C., van Lanen, R. J., & Weerts, H. J. T. (2015). 10. Dorestad’s rise and fall: How the local landscape influenced the growth, prosperity and disappearance of an early-medieval emporium. In A. Willemsen & H. Kik (Eds.), Golden Middle Ages in Europe: New research into early-medieval communities and identities (pp. 99–104). Brepols. https://doi.org/10.1484/M.STMH-EB.5.109459

    Loveluck, C. (2013). Northwest Europe in the Early Middle Ages, c. AD 600–1150: A Comparative Archaeology. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9781139794725

    McKitterick, R. (2008). Charlemagne: The Formation of a European identity. Cambridge: Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511803314

    Oudhof, J. W. M., Verhoeven, A. A. A., Schuuring, I., Scheringa, J., van Kaam, B., & van der Voet, N. (2013). Tiel rond 1000: Analyse van vier opgravingen in de Tielse binnenstad (Themata 6). https://hdl.handle.net/11245/1.473661

    Theuws, F. C. W. J. (2019). Reversed directions: Re-thinking sceattas in the Netherlands and England. Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters, 46, 27–84. https://www.academia.edu/80113126/

    Theuws, F. C. W. J., & den Braven, J. A. (2025). How did aristocrats live in Merovingian and (early) Carolingian times in Northern Gaul? An archaeological enigma: With some remarks on the royal seat in Nijmegen. In M. Gierszewska-Noszczyńska, O. Grimm, & L. Grunwald (Eds.), Frankish seats of power and the North: Centres between diplomacy and confrontation, transfer of knowledge and economy (pp. 153–182). https://doi.org/10.11588/propylaeum.1681.c24452

    Theuws, F. C. W. J. (2026). Reflections on early medieval exchange. In S. Gelichi & M. Ferri (Eds.), Food and S.T.O.N.E.S.: Ships, trade, objects, networks, economy, society (pp. 493–510). Venice University Press. https://doi.org/10.30687/979-12-5742-002-4/022

    Van Benthem, A. (Ed.). (2020). Terug in de tijd: Een opgraving in het historische centrum van Zaltbommel (ADC Rapport 4999). ADC ArcheoProjecten.

    Van Dinter, M., Cohen, K. M., Hoek, W. Z., Stouthamer, E., Jansma, E., & Middelkoop, H. (2017). Late Holocene lowland fluvial archives and geoarchaeology: Utrecht’s case study of Rhine river abandonment under Roman and Medieval settlement. Quaternary Science Reviews, 166, 227–265. https://doi.org/10.1016/j.quascirev.2016.12.003

    Van Es, W. A., & Verwers, W. J. H. (1980). Excavations at Dorestad 1: The harbour: Hoogstraat 1 (Nederlandse Oudheden – Vol. 9). Rijksdienst voor het Oudheidkundig. Bodemonderzoek.

    Wickham, C. (2005). Framing the early Middle Ages: Europe and the Mediterranean 400–800. Oxford University Press.

    Willemsen, A. (2009). Dorestad: Een wereldstad in de middeleeuwen. Walburg Pers.

    Tabel

    Lees verder (1)

    Tabel 1. Eenvoudige handelsstromen Dorestad

    ProductVanRol DorestadNaar
    Wol (ruw)Britse eilanden (zuidwest)Wassen, spinnen en wevenJutland (noordoost) en Rijnland (zuidoost)
    Amber (ruw)Jutland (noordoost)Snijden, boren en rijgenBritse eilanden (zuidwest) en Rijnland (zuidoost)
    Been (ruw)Jutland (noordoost)SnijdenBritse eilanden (zuidwest) en Rijnland (zuidoost)
    WijnRijnland (zuidoost)SjouwenBritse eilanden (zuidwest) en Jutland (noordoost)

    Figuren

    Lees verder (4)

    Noot. Figuur 4 is gewijzigd overgenomen van Duchateau (2026b).

    Bijlage A

    Lees verder (5)

    Muntvondsten en Dorestad

    De muntvondsten uit de NUMIS-database geven voor de periode 750–900 n. Chr. een genuanceerder beeld dan het traditionele verhaal van Dorestad als bloeiend Karolingisch emporium. Op macroniveau lijkt de verdeling over de drie hydro-clusters relatief evenwichtig (Figuur 4), maar bij nadere analyse maskeert dit evenwicht enkele belangrijke verschuivingen.

    Tabel A1. Muntvondsten Dorestad (450–1200 n. Chr.)

    PeriodeWijk bij DuurstdeBurenDorestad
    450–6005 (1 %)2 (0 %)7 (1 %)
    600–750135 (25 %)113 (21 %)248 (46 %)
    750–900181 (33 %)37 (7 %)218 (40 %)
    900–10505 (1 %)15 (3 %)20 (4 %)
    1050–12009 (2 %)39 (7 %)48 (9 %)
    Totaal335 (62 %)206 (38 %)541 (100 %)

    Centrale dominantie en Dorestad

    In de Karolingische periode (750–900 n. Chr.) domineert Dorestad (Wijk bij Duurstede en Buren; Tabel A1) het riviercluster met 64 % van de losse muntvondsten (Tabel A2). Desondanks laat Dorestad zelf geen groei zien. Het aantal muntvondsten daalt met circa 12 % ten opzichte van de Merovingische periode (van 248 naar 218 munten; Tabel A1).

    Tabel A2. Muntvondsten riviercluster (450–1200 n. Chr.)

    PeriodeWestelijkDorestadOostelijk
    450–6004 (17 %)7 (30 %)12 (52 %)
    600–75096 (22 %)248 (57 %)91 (21 %)
    750–90043 (13 %)218 (64 %)82 (24 %)
    900–105053 (33 %)20 (13 %)87 (54 %)
    1050–1200112 (38 %)48 (16 %)137 (46 %)
    Totaal308 (24 %)541 (43 %)410 (33 %)

    Karolingische stagnatie

    De data tonen dat Dorestad reeds in de Merovingische periode (600–750 n. Chr.) zijn hoogtepunt bereikt, gevolgd door Karolingische stagnatie (750–900 n. Chr.) en een sterke terugval daarna. Dit patroon past binnen een breder Merovingisch maximum dat ook elders zichtbaar is, zoals in het kustcluster rond Veere (Domburg) en Katwijk (887 munten; Figuur 4), gevolgd door een scherpe daling. Het wadcluster blijft daarbij relatief stabiel, maar levert met minder dan de helft van het volume een duidelijk bescheidener aandeel. Dit ondersteunt de door Coupland (2025) geschetste Karolingische heroriëntatie naar het noorden, waarmee Dorestad de deur open zet naar zijn eigen ondergang.

    PDF-versie

  • Zeven heuvels Nijmegen en Groesbeek

    Zeven heuvels Nijmegen

    Oppidum

    De vraag of de stad Nijmegen is gesticht op zeven heuvels houdt ook de vraag in wat onder Nijmegen verstaan wordt. Is het een stad die als zodanig continu is bewoond, of meerdere keren geschapen, dan wel verrezen is? Hoe dan ook, een eerste versie, het vermeende Oppidum Batavorum, bestreek zeven aanwijsbare heuvelen. Net als het oude Rome, of was het toch Jeruzalem? De grootschalige archeologie tot aan de oerbodem beschrijft tevens de effenende werking van de cultuurlaag.

    Lees verder (3)

    Noviomagus

    De zeven heuvelen van middeleeuws Noviomagus zijn al aanwezig in de 13e-eeuwse omwalde stad, die eerder ontstaan is als pre-urbane handelsnederzetting in de buurt van een 11e-eeuws godshuis en een 12e-eeuwse burcht. Tot aan begin 16e eeuw komen er nog vier bij, waarmee het aantal hoogten op elf uitkomt. Over de vroege oorsprong en ontwikkeling van middeleeuws Nijmegen, als een stad op of tegen de heuvels, bestaan meerdere visies, maar het aantal hoogten blijft buiten beschouwing.

    Septimontium

    Vanaf 1650 wordt Nijmegen beschreven als gebouwd op vijf heuvelen, vaak benoemd als Hessenberg, Marienberg, Gruitberg, Klokkenberg en Hoenderberg. Rondom 1825 duiken er ineens ook zeven heuvelen op, die pas in 1953 worden gelabeld. Voor een periode van 200 jaar blijven de aantallen vijf en zeven naast elkaar beschreven. Veel hoogteverschillen zijn in de loop der tijd fors genivelleerd, maar zowel de Romeinse als de latere zeven heuvelen zijn nog steeds in het landschap te ontcijferen.

    Hoogmakerij

    Voordat de diepte wordt ingegaan, zijn drie interpretaties van zevenheuvelig (7H) Nijmegen in het huidige reliëf inzichtelijk gemaakt met de fietsroutes Septinimma 1c, 13c en 16c-19c (de laatste wordt weergegeven). In de twee parallelle visies op zevenheuvelig (7H) Nijmegen doen de Ubbergerberg, Marienberg, Gruitberg en Hoofdberg niet mee.

    Zeven Heuvels Nijmegen 1c-13c
    Hoogten (2×7)

    Nijmegen 1c

    • Hoogte (1) Ubbergerberg - Nieuwe Ubbergseweg
    • Hoogte (2) Geertruidsberg - Voerweg
    • Hoogte (3) Hofberg - Lindenberg
    • Hoogte (4) Lindenberg - Ottengas
    • Hoogte (5) Klokkenberg - Platenmakersstraat
    • Hoogte (7) Gruitberg - Kerkegasje

    Nijmegen 13c

    • Hoogte (1) Hofberg - Lindenberg
    • Hoogte (2) Lindenberg - Ottengas
    • Hoogte (3) Klokkenberg - Platenmakersstraat
    • Hoogte (4) Jansberg - Smidstraat
    • Hoogte (5) Hundisberg - Augustijnenstraat
    • Hoogte (6) Hessenberg - Kroonstraat
    • Hoogte (7) Gruitberg - Kerkegasje

    Archeologie

    De vele archeologische onderzoeken naar de historie van Nijmegen hebben en passant het bestaan van historische, hogere hoogten bevestigd. Aan de hand van de opgegraven bodemprofielen blijkt bijvoorbeeld de voet van de heuvels aan de Waal in de Romeinse tijd vijf à zeven meter en in de Middeleeuwen drie à vijf meter lager te liggen dan nu.

    Lees verder (3)

    Oostelijke drie

    Het Romeinse maaiveld vertoont een knik tussen de Marienberg en Geertruidsberg. De laatste is door het ingraven van de Voerweg in de 15e eeuw verder gescheiden van de Hofberg. Na de grootse sloop van de vestingwerken is de nu lastig te vinden laagte tussen de Ubbergerberg en Marienberg met vier meter opgehoogd, terwijl het dal tussen de Ubbergerberg en Geertruidsberg voor de Waalbrug een meter is uitgediept.

    Centrale vier

    Na 1950 zijn de dalen om de Lindenberg en Klokkenberg opgevuld en de noordranden vergraven voor het Groene Balkon. Voor de Veerpoortrappen wordt een smalle opgang uitgespit. Op de Hofberg ligt een drie meter dik cultuurpakket, dat in het noordwesten is afgeschept, maar op de andere heuvels ligt een dun dek. Blijkens de Romeinse graven direct onder de bestrating kent de Gruitberg een geëgaliseerd ouder profiel.

    Westelijke vier

    De Jansberg was eerder enkele meters hoger en ook de randen zijn vergraven. Op de Hundisberg is de westzijde voorzien van een keermuur en drie à vier meter afgegraven. Op de Hessenberg is het hoogteverschil met de laagte van de Hezelstraat afgenomen van negen naar zes meter, terwijl het dal tussen de Hessenberg en de vergraven Hoofdberg dusdanig is gedempt dat Romeins materiaal er op zes meter diepte ligt.

    Zeven Heuvels Nijmegen 16c-19c
    Hoogten (7)

    Nijmegen 16c-19c

    • Hoogte (1) Geertruidsberg - Voerweg
    • Hoogte (2) Hofberg - Lindenberg
    • Hoogte (3) Lindenberg - Ottengas
    • Hoogte (4) Jansberg - Smidstraat
    • Hoogte (5) Hundisberg - Augustijnenstraat
    • Hoogte (6) Hessenberg - Kroonstraat
    • Hoogte (7) Hoofdberg - Parkweg

    Noviomagus

    Van de bewezen Romeinse woonkernen in Nijmegen staat de naam niet vast, maar van beschreven vroeg-middeleeuwse paltsen zijn mogelijk C14-sporen uit de 9e of 10e eeuw ontdekt. Een voorganger van de reuzentoren wordt vermoed op basis van radarwerk en een koningszaal op basis van metselwerk. Wel aanvaard is de bouw van een achthoekige kapel rond de eerste helft van de 11e eeuw en een reuzentoren, ringmuur en (herstel) van een halfronde kapel na 1155 door keizer Frederik I in Neomagus.

    Lees verder (5)

    St. Nicolaaskapel

    Deze zestienhoek kan als capella palatina (paltskerk), capella baptismales (eigenkerk), of ecclesia baptismales (collatiekerk) zijn gebouwd. Een paltskerk zou de keizers Koenraad II of Hendrik III als bouwheer betekenen, terwijl een collatiekerk duidt op aartsbisschop Pilgrim, stichter van het St. Apostelnstift, of Herimann II met suffragaan Bernold. Dat de ‘capella imperatoris’ tweemaal identiek instort is geen wonder: De zijwand staat een meter uit het lood. Ook het 12e-eeuwse herstel laat rode mortel zien.

    St. Maartenskapel

    Deze ooit aan St. Maarten gewijde apsis op de Hofberg is door keizer Frederik I bij de oprichting van zijn burcht verbouwd en, samen met de St. Nicolaaskapel, gespaard bij de sloop van de Valkhofburcht in 1796. In 1432 heet de geooste nu halfronde bouwval in het Valkhofpark, weer of nog, Martyns capel, maar het patronaat is nooit opgehelderd. De ene muur staat haaks op het ander, maar het kán een restant zijn van de parochiekerk, die na 1254 inclusief kerkhof en pastorie verplaatst is naar de Hundisberg.

    Upberg

    Heerlijkheid Ubbergen is rond 1247 niet meeverpand met de burcht en stad Nijmegen aan het graafschap Gelre. De koning stelt in 1290 Diederik van Kleve voor en laat Tilman van Nijmegen in de oppositie achter, maar beleent hem rijksgoed Upburgen, om daar de graaf uit te hangen. Het pre-stedelijk kerkhof op de Geertruidsberg blijft daarbij in het midden. Rond Ubbergen hangt dus de schimmige entiteit van het oorspronkelijke burggraafschap, want een graaf van Nijmegen was bijvoorbeeld ook graaf van Houberch.

    Sefluche

    Een plaats in de nabijheid, die bekend is door gebeurtenissen van die tijd, is Zyfflich, waar Balderik, de ex-graaf van Oplathe of Houberch, op zijn bezitting genaamd Sefluge in 1021 kinderloos begraven is, nadat het leeuwendeel van zijn goederen in de regio is vervallen aan de kroon en geestelijkheid. Na verwoesting van het versteende Upladium in 1016, wist de aartsbisschop de grond te bemachtigen. Na 1117 hoort de kerk van de allengs uit de vlakte opkomende, vanaf 1230, stad Nijmegen, bij dekenaat Zyfflich.

    Mergelpe

    In 1117 verkrijgt het aartsbisdom de burcht Meregelpe van het Zyfflichse St. Martinstift, maar beleent deze nog in 1143 aan Stift Bedburg en in 1223 weer aan het graafschap Kleve ter herstel. Kniesoorkonden sluiten niet uit dat de tegen Maas en Waal-tienden geruilde burcht Meregelpe, in 1261 Monreberg heet. Het Munna uit de monnikswerken kan daar ook liggen, maar het versteende Upladen hoeft niet persé de motte Montferland te zijn en de veel kleinere motte op de Wylerberg geen Meregelpe.

    Septinimma 16c-19c
    Lees verder (6)

    Heuvelstad Nijmegen

    Hoogte1c13c16c-19c
    Ubbergerberg1
    Marienberg2
    Geertruidsbg31
    Hofberg412
    Lindenberg523
    Klokkenberg63
    Gruitberg74
    Jansberg54
    Hundisberg65
    Hessenberg76
    Hoofdberg7

    Heuvelstad Nijmegen op kaarten

    Om meer zicht te krijgen op het ontstaan van een zevenheuvelig (7H) Nijmegen is ook gebruik gemaakt van historische kaarten, waarop heuvels en dalen met schaduwlijnen en later hoogtelijnen zijn uitgedrukt. Zo tekenen militair topografen in de tweede helft van de 19e eeuw in Nijmegen zeven (7H) hoogten. Vanaf de 20e eeuw is het reliëf in de binnenstad steeds verder afgegraven en verhoogd met de projecten Waalbrug (±1935), Groene Balkon (±1955), Wederopbouw (±1965), Herbouw Benedenstad (±1985) en Veerpoorttrappen (± 1990). In de 21e eeuw komen daar Centrumplan 2000 (±2005) en Plan Hessenberg (±2010) bovenop. Gelukkig is het destructieve Vijf Heuvelen Plan (5H) inmiddels ingewisseld voor het beschermd stadsgezicht Benedenstad (7H).

    Heuvelstad Nijmegen in teksten

    Waar de 5H-reisgidsen gedurende een eeuw redelijk stabiel blijven, schiet het aantal 5H-schoolboeken vanaf 1860 plots de hoogte in om na 1890 praktisch te verdwijnen. Een Groningse onderwijzer leert de kinderen in 1847 over Nijmegen, de stad der zeven heuvelen (7H), om in 1863 glashard vijf heuvelen (5H) te oreren. Een andere auteur laat het aantal afhangen van het publiek: zeven heuvelen (7H) voor de reisgids (1849) en vijf heuvels (5H) voor zijn aardrijkskundig woordenboek (1846). Hoe dan ook, vanaf 1890 nemen de 7H-reisgidsen toch echt de overhand, in lijn met de militair topografen. Het aanwijzen van dé zeven heuvels van Nijmegen kun je zelf doen door te kiezen voor een klassieke (1e eeuw), een middeleeuwse (13e eeuw) of vroegmoderne (16e-19e eeuw) reeks.

    Nijmeegs alternatief

    Aan de hand van de prevalentie over zes van de tien beschreven tijdvakken (11e-19e eeuw), plus de 21e eeuw, is het tevens mogelijk om een alternatieve Top 7 11c-21c te bepalen. De Hessen- en Hoofdberg zijn na de ontwalling samengevoegd, dus het geheel Hessenberg noemen is verdedigbaar, vergelijkbaar met de fusie van de Linden- en Klokkenberg onder de naam Lindenberg aan de hand van het getekende reliëf op 19e-eeuwse kaarten. Naast de 13c en 16c-19c hypothesen bestaan er ook nog twee parallelle visies op zevenheuvelig (7H) Nijmegen, een congruente visie 16c-19c en een benadering op basis van de gevonden munten uit de periode 450-1200.

    Top 7 11c-21c

    Hoogte11c-21cVisies
    Hofberg77
    Jansberg67
    Hundisberg57
    Lindenberg56
    Hessenberg56
    Geertruidsberg55
    Klokkenberg54

    Parallelle visies

    ★ Albert Delahaye

    ★ Rob Essers

    ★ Hans van Meteren

    Congruente visie

    Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

    Zeven heuvels Groesbeek

    Heuvelgraven

    Hoe verder met de Gelderse Zeven heuvelen? Noord-Brabant kent Zevenbergen bij Oss, Drenthe meldt de Zeven Heuvels bij Hoogeveen en in Noord-Holland liggen de Zeven Bergjes bij Laren. Op deze locaties verwijst zeven naar zeventallen grafheuvels uit de prehistorie. Nijmegen lijkt, net als Rome en weer een ander Zevenbergen, gebouwd op zeven natuurlijke heuvels. In haar nabije omstreken ligt ook een heuvelige weg, waarvan het aantal maar niet wil kloppen. In 2016 is daar naast het oude pad van Groesbeek naar Beek een zestal grafheuvels ontdekt, of is ook hier de zevende heuvel weg? Het blijft een kaartenhuis op een hellend vlak.

    Lees verder (3)

    Cartografen

    In 1570 prijkt in het Nederrijkswald een bospad vanaf de Heerlijkheid Groesbeek, met daarin in 1768 de Beeksche Straat, die in 1758 doorloopt in het Nederrijkswald. Dit bochtige pad sluit in de Meerwijken aan op de rechthoekige parkaanleg, waarvan de noordelijke zijde rond 1820 wordt doorgetrokken en rond 1880 op de kaart wordt gezet als wandeling over de zeven heuvelen naar Groesbeek. Tot aan 1925, voor de aanleg van de Nieuweweg, heet de weg op topografische kaarten Berg en Dalsche baan. De moderne Zevenheuvelenweg stamt uit 1953, waarbij de rond 1925 al behoorlijk geëffende Siepseklef helemaal het veld moet ruimen en de Boksheuvel half.

    Groesbeekseweg

    In 1825 wordt de weg van Nijmegen naar Groesbeek de meeste allure van het Gelders Lustoord toebedicht, omdat deze, door zijne rijzingen en dalingen, zeven heuvelen met even zo vele dalen of valleien vormt. De tocht tussen Berg en Dal en Groesbeek is nog niet gemaakt, want van Berg en Dal keert men op landgoed Grote Vlierenberg. In 1882 linkt een andere schrijvende wandelaar door Nederland zeven heuvelen aan de weg tussen Groesbeek en Berg en Dal en maakt er in 1884 terloops ook nog een toponiem van. De oorspronkelijke weg over zeven heuvelen, die van Nijmegen naar Groesbeek, is, na in 1848 te zijn ontdaan van alle bomen, in 1861 behoorlijk geëffend.

    Bergendalsebaan

    Terwijl rijkaards tot 1848 spreken over zeven heuvelen, tussen Nijmegen en Groesbeek, spreken aardrijkskundigen van het Groesbeeks gebergte of Mookerheide. In 1879 wordt de weg der Zeven Heuvelen van Groesbeek naar Berg en Dal genoemd en omschreven als voordurend over zeven heuvelen op-en-af, in 1880 als zeven heuvels tellend en in 1907, nu wel door een geograaf, als weg over de zeven heuvelen, haaks op droogdalen aangelegd. Zeven betreft hier een telwoord, waarvan de eerste noemer in 1828 ook de formule keizerstad heeft gedeeld. Een opzichter combineert in 1898 een stad met zeven heuvels met een weg over zeven heuvelen.

    Zevenheuvelenweg Groesbeek
    Hoogten (7)

    Zevenheuvelenweg

    • Hoogte (1) Knotseklef - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (2) Molenberg - Nieuweweg
    • Hoogte (3) Boksheuvel - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (4) Hogeklef - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (5) Vlierenberg - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (6) Engelenberg - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (7) Uilenpol - Zevenheuvelenweg

    Gronspech

    In Groesbeek gaan schriftelijke bronnen en archeologische vondsten voegzaam hand in hand. De naamsvermelding in 1040 wordt voorafgegaan, of geflankeerd, door twee tufstenen gebouwen, waarvan een de zaalkerk betreft en de ander de vroonhof, waar Pingsdorf- en kogelpotaardewerk ruim voorhanden is. Dit komt overeen met de door keizer Hendrik III geschonken mansus, een hoeve, in de villa, een nederzetting, aan de beschoeide en gestuwde Groesbeek. Of de persoon of het ambt van de waldvorster een hoeve of de vroonhof krijgt toegewezen is onduidelijk, evenmin of het bewoning of de opbrengst betreft. Groesbeek is vanaf 1258 een heerlijkheid en vanaf 1265 voorzien van een spiekerachtige houten woontoren. In die tijd kan de oorspronkelijke eigenkerk zijn toegevoegd aan dekenaat Zyfflich, waarbij de pastoor van Groesbeek de afdrachten van een tweede, of dezelfde capella imperatoris verzorgt.

    Lees verder (1)

    Marbeke

    Voor de oorsprong van de aardwerken in de Meerwijk is, gezien de datering met een bandbreedte van 1000 jaar, tot op heden geen doorslaggevend bewijs. De vijver in het Steenkuilendal met daarin de Meerwijkselaan bestaat vermoedelijk reeds in de 11e of 12e eeuw. Op een kunstmatig eiland in deze vijver zou de burcht Watermerbrug van de waldgraven van het Rijkswald torenen, voordat zij zich in Groesbeek vestigen. Op de Wylerberg vlakbij prijkt een andere vermeende motte op Kleefs allodium en de naaste Beekerberg delen de heren van Groesbeek later met de heer van Kranenburg, welk deel Kleverberg wordt genoemd. De originele afkomst en verdeling van het bezit rondom Beek is, net als in het aanpalende Rijkswald, niet duidelijk. De tussenliggende Holdeurn etaleert dakpannen, waarvan de datering 2000 jaar kan afwijken, dus het is geenszins uitgesloten dat de zone een pre-stedelijk nijverheidscomplex betreft.

    Hoogten (7)

    Zevenheuvelenloop

    • Hoogte (1) Oeselenberg - Nijmeegsebaan
    • Hoogte (2) Muntberg - Nijmeegsebaan
    • Hoogte (3) Hogeklef - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (4) Vlierenberg - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (5) Engelenberg - Zevenheuvelenweg
    • Hoogte (6) Brantberg - Postweg
    • Hoogte (7) Kwakkenberg - Kwakkenbergweg

    Zeven rijzingen

    Dus tot de effening van de Groesbeekseweg en Nijmeegsebaan, vlak na 1860, bevinden de originele zeven rijzingen zich op de weg van Nijmegen naar Groesbeek. Rond 1840 ligt er een wegdam, tegen 1870 al drie, met daarbij zes ingravingen. Via een omleiding door de wijk Groenewoud en over het terrein van Werkenrode (hek), evenwijdig aan de Nijmeegsebaan, kun je dit traject herbeleven. Bij dit deel van het Nederrijkswald dekte de landmeter zich in met de opmerking: “overmits haer ongelijckheyt vangebercht.

    Lees verder (3)

    Zeven heuvelen

    Het oude traject over de Zeven heuvelen slingerde vanaf de kerk in Groesbeek door de velden het Nederrijkswald in. Dit bospad over de Siepseklef is in de loop der tijd zodanig naar het oosten verschoven dat de huidige Zevenheuvelenweg slechts zes heuvels telt. De zevende heuvel kun je terugwinnen door rechts af te dalen over de Händelstraat en via de Molenweg en Nieuweweg de Molenberg te beklimmen. Overgangen als die van Groesbeek naar het voormalige Nederrijkswald zie je nu ook nog wel in Vinex-wijken.

    Zevenheuvelenloop

    Net als de weg lijkt ook de Zevenheuvelenloop meer heuvels te beloven dan er zijn. Vijf prominente hoogten leiden echter de aandacht af van de Witsenberg, Hogeklef, Kwakkenberg en Honsrug, die moeizamer op het parcours te vinden zijn.191 Tussen de Witsenberg en Ketelberg ligt een wegdam en beide Langenbergen en Muntberg zijn door een aantal wegophogingen en ingravingen versmolten. Aan het profiel is vrij duidelijk af te lezen dat de spoelwaaier voor de stuwwal wordt aangedaan.

    Mentale presentatie

    De stad Kleve is gebouwd op drie bergen of veel meer heuvelen. Prima oplossing. Een landmeter vergelijkt de steil- en driehoekigheid rond de Witsenberg met een woud van daken. Zo bezien passen de Hogeklef en Kwakkenberg het beste bij de eerste vijf duidelijke hoogten. De Witsenberg mist de steilheid en de knik naar de streep op de Honsrug kan het hoogteverschil niet maken. De getallen vijf, zeven of negen zijn echter allemaal goed, want het is de mens die zaken gestalte geeft.

    Discussie

    Conclusie

    De nederzetting ‘Oppidum Batavorum’ (1e eeuw) en de stad Nijmegen (13e & 16e-19e eeuw) telden zeven heuvels, maar de bewoonde hoogten zijn verschillend. Daarnaast is er in de omgeving van Nijmegen sprake van twee wegen over zeven heuvels. In de eerste helft van de 19e eeuw werd de weg van Nijmegen naar Groesbeek beschreven, terwijl de huidige van Groesbeek naar Berg en Dal voert. Zeven betreft een telwoord en het concept is hier in de eerste helft van de 19e eeuw toegepast. De contemporaine reeks is daarom het meest aannemelijk voor Nijmegen op basis van de toenmalige steilrand en stadswal.

    Lees verder (3)

    7H weg en stad

    Jaar7HAuteur
    1824StadVan Wijk Rz.
    1825WegTen Hoet Jz.
    1879WegStaats Evers

    Groesbeeks alternatief

    Gelijk Rome viert Groesbeek nu Zevenheuvelenfeesten. Nabij prijkt de Siepseklef en over het Zevendal, rond de ex-exclave Plasmolen, lag de Zevenberg, zoals Zyfflich, op een zandstaart. In ex-exclave Nütterden wijst Sieben Quellen à la Seffent op een akelig telwoord, maar het Siebenquellental met een vijver, beek en siep echter weer niet. Een zevenheuvelige stad is verre van uniek, maar ook de Zevenheuvelenweg heeft een internationale dubbelganger. Mocht Zeven Heuvels een toponiem zijn, dan beschrijft de weg een baan over de heuvelgroep van en naar het buurtschap Siep.

    Nijmeegs alternatief

    Aan de hand van de prevalentie over zes van de tien beschreven tijdvakken (11e-19e eeuw), plus de 21e eeuw, is het tevens mogelijk om een alternatieve Top 7 11c-21c te bepalen. De Hessen- en Hoofdberg zijn na de ontwalling samengevoegd, dus het geheel Hessenberg noemen is verdedigbaar, vergelijkbaar met de fusie van de Linden- en Klokkenberg onder de naam Lindenberg aan de hand van het getekende reliëf op 19e-eeuwse kaarten. Naast de 13c en 16c-19c hypothesen bestaan er ook nog drie parallelle visies op zevenheuvelig (7H) Nijmegen, een congruente visie 16c-19c en een benadering op basis van de gevonden munten uit de periode 450-1200.

    PDF-versie

  • De stad Zevenbergen, Zyfflich en De Zevenbergen

    Stad Zevenbergen

    De kern van de middeleeuwse stad Zevenbergen is gebaseerd op een zuidoost-noordwest lopende dekzandrug (B53) in het veen- en zeekleigebied (±0 NAP) van nu Noord-Brabant. Haaks op de dekzandrug (±5 NAP) is vanaf de rivier de Mark een insteekhaven aangelegd, die als tweede as, tussen opgehoogde dekzandwelvingen (B54), reeds voor herinpoldering rond dit tijdelijke eiland, noordoostwaarts als vaart lijkt doorgegraven. De smalstad heeft het historische grondplan behouden en is tot aan de 20e eeuw amper uitgebreid.

    Zeven hoogten Zevenbergen
    Hoogten (7)

    Stad Zevenbergen

    • Hoogte (1) Stationsstraat
    • Hoogte (2) Doelstraat
    • Hoogte (3) Merodestraat
    • Hoogte (4) Oude Kerkstraat
    • Hoogte (5) Van Steelandtstraat
    • Hoogte (6) Korte Wipstraat
    • Hoogte (7) Stoofstraat

    Sevenberghe

    Vanaf 1287 wordt er gesproken over een heer van ‘Sevenberghe’. Vanuit deze heerlijkheid verwerft de nederzetting op zijn laatst in 1396 stadsrechten en behangt haar stukken met een zegel met: zeven bergen. In 1654 stelt een nader gereformeerde auteur echter dat hier geen sprake kan zijn van zeven hoogten, gelijk Rome. Een taalkundige rekent Zevenbergen in 1890 weer wel tot de telwoordtoponiemen, waarna aan zeven hoogten in de omgeving (1937) of aan een onbepaald aantal in de stadskern (2007 en ‘09) wordt gedacht.

    Fietsroute stad Zevenbergen

    Septimontium

    Met een 5 kilometer lange fietsroute zijn in het stadshart van Zevenbergen bij nader inzien zeven verdedigbare hoogten in het landschap te ontcijferen, waarbij in totaal 30 meter aan hoogteverschil wordt overbrugd, gemiddeld 4 meter per helling. Deze middeleeuwse stad is net als het klassieke Rome gebouwd op zeven heuvels, met als verschil dat de eerste een heerlijkheid en de laatste een wereldrijk vertegenwoordigde. Tevens staan zes van de zeven oroniemen niet vast, of zijn op de Molenberg na, (nog) onvoldoende aangehaald.

    Zyfflich

    Het middeleeuwse dorp Zyfflich is net als het nabije Persingen in de provincie Gelderland gebouwd op een west-oost lopend rivierduin (B57) in het rivierkleigebied (±10 NAP) van Nordrhein-Westfalen. Het westelijke gedeelte van dit rivierduin (±15 NAP) is in de vroege middeleeuwen door het Wylermeer afgescheiden, waardoor een klein deel aan de overkant, nu boven Beek in de provincie Gelderland ligt. De nederzetting, die reeds rond 1020 lijkt te zijn gestart als kloosterkern, heeft pas na 1820 de vorm van een lintdorp gekregen.

    Zeven hoogten Zyfflich
    Hoogten (7)

    Zyfflich

    • Hoogte (1) N.N. - Voetpad Wylermeer
    • Hoogte (2) Guldenberg - Zum Wyler Meer
    • Hoogte (3) Kuckuckshövel - Zum Wyler Meer
    • Hoogte (4) N.N. - Zum Wyler Meer
    • Hoogte (5) N.N. - Zum Querdamm
    • Hoogte (6) N.N. - Häfnerdeich
    • Hoogte (7) Mittelgeist - Mühlenend

    Sefluche

    In de 11e eeuw wordt het goed ‘Sefluche’ vermeld met later het St. Martinstift, dat in 1117 de bisschopshof behoudt bij het broek Germenseel met de Wittendonk. In 1297 blijven deze gronden en de halve Zyfflicherbusch bij uitruil met de Kleefse graaf en tevens voogd behouden. De andere helft splitst zich af met de stad (±1290) en ook rijksleen (±1300) geworden aanspraak Kranenburg, dat in 1436 het stiftskapittel afsnoept, waarna de kerk van Zyfflich verkleind wordt. In 1963 verliest het dorp grond aan Nederland.

    Fietsroute Zyfflich

    Siephtimontium

    Voor zover bekend houdt de plaatsnaam geen verband met zeven. Dezelfde taalkundige als bij het beschreven toponiem Zevenbergen rekent Zyfflich in 1890 derhalve tot de groep die ‘sijpelen’ voorstelt, vergelijkbaar met Siepscheklef, en niet tot de telwoordtoponiemen. De kadasterkaart van 1835 telt echter zeven oroniemen. Drie bevinden zich op het rivierduin, drie komen niet in de buurt en een komt half overeen. Anderzijds telt dit ‘siephtimontium’ wel degelijk zeven +14 NAP rivierduinhoogten, die met een fietsroute verbonden zijn.

    De Zevenbergen

    In het natuurgebied ‘De Zevenbergen’ zijn 4000 jaar geleden grafheuvel(s) aangelegd op een noordoost-zuidwest lopend landduin (L54) in het rivierterrasgebied (±10 NAP) van nu Limburg. Dit landduin Sevenberg (x3) (±15 NAP) lag, voor de ontginning, samen met het bijna verdwenen Heibergske (x1) en De Clef (x2), temidden van kwelmoerassen als de Grote en Kleine Siep, die zijn afgegraven tot de Mookerplas, dwars op de dalvlakteterrassen (E44), van de al vroeg bewoonde, maar pas in 1326 genoemde nederzetting Middelaar.

    Hoogten (7)

    De Zevenbergen

    • Hoogte (1) Riethorst - Riethorsterweg
    • Hoogte (2) N.N. - Zevenbergseweg
    • Hoogte (3) Katerberg - Katerbosseweg
    • Hoogte (4) Tolsberg - Schenck van Nijdeggenstraat
    • Hoogte (5) N.N. - Voordijk
    • Hoogte (6) Het Eend - Veerstraat
    • Hoogte (7) De Geist - Dorpsstraat

    Siepsekleffen

    De vier nu opgeplagde +12 NAP dalvlakteterrassen (E44) van Middelaar zijn Katerberg (3), Tolsberg (4), Het Eend (6) en De Geist (7). In de fietsroute over de zeven moerasbergen of siepsekleffen rondom ‘De Zevenbergen’ zijn de twee (deels) afgegraven landduinen (L54) De Clef (x2) en Sevenberg (x3) vervangen door landduin (L54) Riethorst (1) en dekzandwelving (L51) N.N. (2) buiten de fictieve omwalling. Een opmerkelijk detail is dat de Sevenberg (x3) op dezelfde breuklijn ligt als het Zevendal en dat ook Siebengewald op een breuklijn ligt.

    Midlerseeuwen

    Tijdvak-2c/-1c1c/2c6c/7c
    Duin1x1, x2
    Terras6, 76, 73, 4, 6, 7
    Hoogten344

    Hoogmakerij

    Ingevolge het upbergkabinet kunnen de gevonden hoogteverschillen (H) op het asfalt van de dekzandrug (B53) en dekzandwelvingen (B54) van stad Zevenbergen, die op het rivierduin (B57) van Zyfflich (Donsrug) en tevens die op de dekzandwelvingen (L51) en landduinen (L54) van De Zevenbergen (Afferdennen) onder klimunit 3.1 Duin worden geschaard. De hoogteverschillen (H) op het asfalt van de dalvlakteterrassen (E44) van De Zevenbergen vallen onder klimunit 1.1 Terras. De gesplitste klimringen (fietsroutes) van stad Zevenbergen (30 H en 5 LKm) en Zyfflich (70 H en 14 LKm) vallen met een stijging (%) van 0,60 % en 0,50 % in kleurcode E-grijs, terwijl de klimring (fietsroute) van De Zevenbergen (50 H en 7 LKm) met een stijging (%) van 0,71 % zorgt voor kleurcode D-groen.

    Lees verder (1)

    Begrippen

    Afferdennen: Hoogmakerij, samentrekking van Afferden en Ardennen.
    Asfalt: Generieke benaming voor alle soorten verharde weg.
    D-groen (D): Kleurcode voor de een-na-laagste moeilijkheidsgraad.
    Donsrug: Hoogmakerij, samentrekking van Donsbrüggen en Hondsrug.
    Duin (3.1): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door sedimentatie.
    E-grijs (E): Kleurcode voor de laagste moeilijkheidsgraad.
    Hoogmakerij: Verzameling passende klimunits, klimstroken en klimringen.
    Hoogteverschil (H) Verschil in hoogte tussen twee punten in gehele meters.
    Kleurcode: Schaal voor moeilijkheidsgraad, van E-grijs naar A-rood.
    Klimring: Optimaal gesplitst hoogteverschil in een circulair traject.
    Klimsplitsing: Isoleren van hoogteverschil in klimstroken of klimringen.
    Klimunit : Categorie hoogte in het landschap, ingedeeld naar ontstaanswijze.
    Lengte (LKm): Lengte van een klimring of -route in kilometers afgelegde weg.
    Stijging (%): Hoogteverschil in meter of percentage per hectometer afgelegde weg.
    Terras (1.1): Natuurlijke klimunit landschapsvorm door tektoniek.
    Upbergkabinet: Verzameling van aanwezige natuurlijke en kunstmatige klimunits.

    PDF-versie

  • Klimstorie Eenhoog Nijmegen

    Eenhoog Nijmegen

    Gids met 37 beklimmingen tussen Nijmegen en Kleve met kleurcode E-grijs die hoegenaamd ‘geen naam’ mogen hebben, maar die je wel voelt, zeker als het waait.

    Klimstorie Eenhoog
  • Stijgersgids Klimstagram

    Klimstagram

    Gids met 50 ansichtkaarten van het heuvellandlandschap van Nijmegen en omgeving, rondom de belangrijke heuvelkernen Nijmegen, Groesbeek, Kranenburg en Kleve.

    Stijgersgids Klimstagram
  • Kartenspieler Weg, het toponiem

    Speculatie

    Over het toponiem Kartenspieler Weg, een grofweg vijf kilometer lange, golvende strook asfalt door het Reichswald tussen Grunewald en Grafwegen, wordt driftig gespeculeerd. Feit is dat het pad, met een zuidelijker geknikt verloop, als ‘Kart Speelders Weg’ staat vermeld op de ‘Tranchotkaart’ (1803-1820). Een kwart eeuw later is het middeleeuwse padenpatroon vervangen door kaarsrechte bosbouwpaden. Wat kan wel? 1 2 3 4

    Kartenspieler Weg

    • Slechtetop (1) - Kartenspieler Weg
    • Hertenkop (1) - Kartenspieler Weg
    • Hondsiep (1) - Kartenspieler Weg
    • Hemmendalsklef (1) - Kartenspieler Weg
    • Hemmendalsklef (2) - Kartenspieler Weg

    Ordonnantie

    In de Bataafse Republiek voerde het Kwartier van Nijmegen in 1795 als eerste een belasting in op speelkaarten, terwijl het Hertogdom Kleve het geldende Pruisische staatsmonopolie op speelkaarten juist achter zich liet, waardoor er tien jaar lang een omgekeerde situatie gold. Het toponiem lijkt dus te stammen uit de periode 1795-1815, als naam voor een spelplaats of smokkelroute, of door alibi’s van smokkelaars en stropers.5 6 7 8 9

    Tabel speelkaartenbelasting (1)

    Speelkaartenbelasting

    GroesbeekGrafwegenMilsbeek
    >1795>1795
    1795-1805
    1813-18151813-1815
    1815-1920
    1920-19271920-19271920-1927
    1927-1980*
    * Uitgezonderd 1939-1945

    Bronnen

    1. Tranchot, J.J. & Müffling, F.C.F. von (1803-1820). Topographische Aufnahme rheinischer Gebiete, 8. ↩︎
    2. Preußische Landesaufnahme (1836-1850). Preußische Kartenaufnahme, 01 Cranenburg – Blatt ‘Cleve. ↩︎
    3. Rgbz. Düsseldorf (1863). Bgm. Kessel, Gem. Nergena, Flur 2-2 Groenewald. Preußisches Katasteramt. ↩︎
    4. Peeters, M. (2022). Waarom de Kartenspielerweg de Kartenspielerweg heet. Weblog Het is Koers!, 5-aug ↩︎
    5. Betouw, J. in de (1795). Ordonnantie Impost op de speelkaarten. Reces des Quartiers v. Nijmegen, 1-aug. ↩︎
    6. Visser, W.M.G. (2008). Accijnzen, een onderzoek naar de rechtsgronden van de NL … , p 244-246. ↩︎
    7. Graumann, S. (2012). Aufbruch in die Moderne, die Franzosenzeit (1794–1814). IRG, 1-okt. ↩︎
    8. Bundesministerium der Finanzen (2017). Steuern von A bis Z, p 161-162. ↩︎
    9. Sharifi, M. (2018). L’impôt tue l’impôt, over de speelkaartenbelasting in NL. Novum, 39 (4), p 26-27. ↩︎
  • Koersatlas

    Uitslagen

    In twaalf jaar (2009-2021) rijd ik 328 wedstrijden, gemiddeld 27 per jaar, behaal vijfmaal het podium in een regionaal klassement (K) en vijftien overwinningen (x) in trimmers- en interclubkoersen, waarvan pakweg de helft met Zwitsalp-training (2011-2016) en de andere helft met Volverde-training (2018-2021). Uit nieuwsgierigheid rijd ik een zestal deels gemixte criteriums bij de elite, het hoogste amateurniveau, waaronder een klimcriterium en neem viermaal deel aan nationale kampioenschappen bij de vrije bond. Over de seizoenen 2009-2021 bedraagt het gemiddelde wedstrijdcijfer (WCF) 5,7.

    Lees verder (1)

    Overzicht

    SeizoenAantalLengteWCF
    2009 (K)4420304,4
    2010 (1)2713405,0
    2011 (1) (K)2816806,4
    2012 (2) (K)3417805,7
    2013 (2)3319406,8
    2014 (1) (K)4022406,7
    2015115506,5
    2016 (1)2111805,5
    20171910605,1
    2018 (3) (K)3517105,5
    2019 (1)156903,7
    2021 (3)2110607,4
    Totaal (15)328172605,7
    • Seizoen 2009 (Arnhem)
    • Seizoen 2010 (Kleve)
    • Seizoen 2011 (Bemmel)
    • Seizoen 2012 (Wijchen)
    • Seizoen 2013 (Breda)
    • Seizoen 2014 (Terheijden)
    • Seizoen 2015 (Kleve)
    • Seizoen 2016 (Effen)
    • Seizoen 2017 (St. Willebrord)
    • Seizoen 2018 (Nieuwegein)

    Wedstrijdverslagen

    Kies locatie (59)
    Kies categorie (3)

    Sportief leven

    Lees verder (4)

    Voetbal en cricket

    Voor mij begon sporten met voetbal, in de F-jes bij een club zonder selectie, gelovend in het collectief. Mijn volgende club deed aan talententraining en sidegames, zoals 4 tegen 4. Hier mocht ik meedoen aan het TV-programma De bal is rond. Ze speelden daar ook cricket. Ik werd Nederlands kampioen 2 tegen 2, onder de coach die met Nieuw Zeeland in het jaar 2000 wereldkampioen zou worden. Ook bij de junioren, waar ik derde divisie landelijk voetbalde, leerde ik dat reizen hoort bij sport op enig niveau. Een spuit bij blessures is mij altijd afgeraden.

    Coachen en cardio

    Na een aaneengeschroefde enkel maakte ik rond mijn twintigste wel kennis met cardio- en intervaltraining op apparaten. Ook het trainen en coachen van lagere seniorenelftallen passeerde de revue. Hier zag ik spelers, waarbij elk ‘talent’ ontbrak, uitermate gemotiveerd om te winnen, ongeacht het niveau. Hiervan leerde ik dat een prestatie neerzetten en de competitie aangaan twee aparte dimensies in het grillige motivatiespectrum zijn. Na nog twee korte periodes selectievoetbal stopte ik definitief en bond recreatief de skeelers onder.

    Wielrennen en heuvels

    Bij het zoeken naar een woning belandde ik met een tweedehands racefiets in de Groesbeekse heuvels. Ik vond de Zevenheuvelenweg wat kort, ging op avontuur -er zijn er vast meer- en eindigde met 9000 hoogtemeters in de Nimmalaya. Vanaf mijn dertigste ging ik ook wedstrijden rijden met een licentie van de vrije bond en haalde, vooral door stabiele deelname, vijfmaal het podium in regionale klassementen en nam viermaal deel aan nationale kampioenschappen van de vrije bond. Na mijn veertigste fiets ik bewust trainingswedstrijden.

    Sport en klasse

    SportJuniorenSeniorenOccasioneel
    Voetbal3e Divisie4e Klasse2e Divisie
    CricketKlasse 2AEerste Klasse
    WielrennenAmateursElite / Beloften
  • NK WFN Rijsbergen-Pannenhoef

    22 juli 2018 – Rijsbergen

    • NK WFN Rijsbergen-Pannenhoef
  • BFW Kampioenschap Hulten

    15 juli 2018 – Hulten