Recent onderzoek werpt nieuw licht op de geschiedenis van de nederzettingen in de huidige gemeente Nijmegen (450–1200 AD). Een gecompileerde dataset met 97 vroeg- en vol-middeleeuwse munten is vergeleken met munten uit dezelfde periode, gevonden in andere gemeenten in het Nederlandse rivierengebied. In tegenstelling tot modellen waarin middeleeuwse handelscentra elkaar opvolgden, zoals Tiel dat deed bij Dorestad, wijst de distributie van munten erop dat meerdere riviernederzettingen tegelijkertijd functioneerden in een inter-afhankelijk netwerk.12
St. Maartenskapel
St. Maartenskapel (11e/12e eeuw)
Nuancing Valkhof
Ondanks de breed gedeelde traditie van een Karolingische palts op het Valkhof kent Nijmegen geen overschot aan munten uit de periode 750–900 AD. Anglo-Friese munten uit de periode 600–750 AD domineren op hun beurt wel in het noordwesten van de delta, terwijl Rooms-Duitse munten vanaf circa 900 AD overheersen in het zuidwesten. Het muntprofiel van de gemeente Nijmegen in het zuidoosten blijft al die tijd relatief neutraal en stabiel, ook na toevoeging van de Winkelsteeg-vondsten, die eerdere statistische verschillen met de gemeente Tiel grotendeels neutraliseren.3
St. Nicolaaskapel
St. Nicolaaskapel (11e eeuw)
Pilaster-Place
Het lijkt er dus op dat Nijmegen functioneerde als onopvallende, maar structureel onmisbare knoop in het delta-netwerk door zijn logistieke ligging en verhoogde positie bij overstromingen, maar zonder de materiële rijkdom van primaire centra. Dit verklaart de Valkhof-paradox: historische vermeldingen suggereren prestige, terwijl de archeologie, waaronder de munten bescheidenheid toont. Vroeg- en vol-middeleeuws Nijmegen lijkt eerder een nuttige duurzame schakel, dan het centraal administratief centrum waar naar gezocht wordt, dus bescheiden op de hoogte en toch vlak bij.4
Terwijl in Nijmegen in de 11e eeuw nog een kapel met een diameter van 15 meter staat, fundeert Xanten reeds in de 9e eeuw een stiftskerk van 60 bij 20 meter, die in de 11e eeuw wordt uitgebreid naar 70 bij 30 meter. Ook in de 4e eeuw zijn de werken tien keer zo groot. Xanten is de noemer van het aarts-dekenaat waaronder de kerk van Nijmegen in dekenaat Zyfflich ressorteerde.
Het oroniem doet denken aan Dagaesburge of Dagesberg, een in de vroege middeleeuwen oorkondelijk geschonken hoeve, maar is vermoedelijk afkomstig van de 17e eeuwse hoeve Dasshof, die in de buurt ligt en overeenkomt met het oroniem Dassenberg. De dertig meter hoge beklimming loopt vanuit Xanten langzaam op zonder ergens echt steil te worden.
Op deze voormalige Sint Maartensberg werd in opdracht van de Keulse aartsbisschop rond 1080 de naamgevende kapel gesticht, rond 1120 opgevolgd door een klooster, waarbij de kapel werd omgebouwd tot een Romaanse kloosterkerk met vier torens, eveneens in opdracht van de Keulse aartsbisschop. De huidige kapel op de bergrand betreft nieuwbouw uit de 17e eeuw.
De hoogte van de eerste Romeinse legioensvesting Vetera I en omliggende kampdorpen met het begeleidende amfitheater dat plaats bood aan 10.000 toeschouwers. De opvolger Vetera II lag in de vlakte bij de toenmalige Rijnstroom en intussen op bijna 10 meter diepte in de ondergrond. Vrij hoge langzaam oplopende beklimming door open akker- en grasland.
Op de top van de 74 meter hoge Dreibäumchenberg bevindt zich de niet al te hoge, maar wel goed zichtbare zendmast, die de zuidelijke kam van de dubbele stuwwal van Xanten markeert. De beklimming zelf reikt niet tot deze hoogte maar loopt als een bergpas tussen de Wolfsberg en de Dreibäumchen-berg door. Vanaf de voet kun je oversteken naar de Schweineberg.
★ Plaats: Xanten
★ Straten: Veener Strasse & Veener Weg
★ Maten: 35 H – 800 m – 340 ZWI
★ Stijgingen: 3 – 4 – 5 – 5 – 4 – 6 – 5 – 3 %
Dassenberg
Beklimming vanuit de dalvormige laagte in het midden van de dubbele stuwwal van Xanten, waarvan de oostzijde gelijktijdig gevormd is met die van Moyland. Door deze laagte loopt, deels ingegraven, de spoorlijn Xanten–Duisburg, waar de 75 meter hoge Kaiserberg het startpunt vormt van het Süderbergland, zoals de Kollenberg in Sittard dat doet voor de Ardennen.
★ Plaats: Xanten
★ Straten: Fürstenberg
★ Maten: 17 H – 400 m – 160 ZWI
★ Stijgingen: 5 – 1 – 6 – 5 %
Sonsbeck
Deze in 1320 door de graven van Kleve gestichte kleinstad bij het broekland is de naamgever van de hoger gelegen Sonsbecker Schweiz. Romeinse of vroeg-middeleeuwse vondsten ontbreken, dus het betreft, net als Kranenburg, een nieuwstichting, want de Römerturm blijkt een laat-middeleeuwse molen. Rond de Balberg lag eind 12e eeuw wel een grafelijk hof.
De Schweineberg of Sonsbeckerberg is met bijna 65 meter de beklimming met het grootste hoogteverschil in de Kalkarpaten, met 92 meter ook het hoogste punt van de hoogmakerij en door de grootste klimlading terecht de ‘Koning van de Kalkarpaten’. Het asfalt van de zuidelijke beklimming via de Weierkampsweg loopt jammer genoeg dood in de buurt van de top.
Niet de eerste top in de Sonsbecker Schweiz met een uitkijktoren, want die stond vanaf 1910 op de 92 meter hoge Schweineberg. In 2024 is de oude toren uit 1981 vernieuwd. Ook wat betreft klimlading neemt de Dürsberg de tweede plek in, want hoewel de Balberg en Steinhügel een groter hoogteverschil kennen, zijn de klimstroken gemiddeld steiler op de Dürsberg.
De Turmberg is vernoemd naar de burchttoren van de graven van Kleve, die later is omgebouwd tot windmolen op de omwalling van de uitgebreide stad Sonsbeck. Op deze plaats zou in vroeger tijden een Romeinse burgus hebben gestaan, net zoals bijvoorbeeld op Heumensoord, maar dit is nooit echt aangetoond, desondanks blijft de naam Römerturm beklijven of kleven.
Na de Schweineberg, Dürsberg en Steinhügel de zwaarste beklimming van de Kalkarpaten en door de ligging in het open veld wellicht ook de mooiste beklimming van de stuwwal van Sonsbeck. Het profiel is redelijk vergelijkbaar met de Hoge Hoenderberg over de Maldensebaan, dus een lange (door)loper vanaf de brede achterzijde van de stuwwal, maar de ervaring is geheel anders.
Hoog boven het huidige Sonsbeck lag op de Balberg eind 12e eeuw een hof van de graven van Kleve, later onderdeel van de hoofdhof op de Balendonk, met kapel, waarvan de inmiddels kerk geworden opvolger in 1203 parochierechten verwierf als afsplitsing van de Xantener parochie. Wat betreft hoogteverschil staat de beklimming op de zesde plaats bij Nijmegen.
Het oroniem Tönberg lijkt op de voormalige uitspanning Tön am Berg op de Lunaberg in Pfalzdorf. De beklimming voert omhoog over de hier wel aanwezige sandr langs de Tönbergskath aan de lange en tamelijk heuvelachtige Kervenheimer Weg, waarvan de naamgever samen met de plaatsen Sonsbeck, Goch en Grieth tot de ondersteden van Kalkar behoorde.
Aan je rechterhand bevindt zich in het bos bij Forsthaus Hasenacker een van de brongebieden van de Romeinse waterleiding die de stad Xanten van water voorzag. Deze waterwerken ontwikkelden zich uiteindelijk tot de gladbeek, die de naamgever is van de bijliggende plaats, waarvanuit de Dassendaler Weg aan een matige stijging over de kam van de stuwwal naar Sonsbeck voert.
De huidige naam van de begin 19e eeuw bijgevoegde buurtschappen Balberg en Hammerbruch en het begin 20e eeuw tot dorp uitgegroeide Labbeckerbruch doet denken aan Gladbach of Gelabbecke, zonder monnikken, maar wel met bronnen, waaronder zelfs Romeinse en in het verlengde daarvan een natuurstenen waterleiding naar klassiek Xanten.
De Steinhügel over de Uedemer Strasse en Reichswaldstrasse manifesteert zich als een van de zwaarste beklimmingen van de Kalkarpaten en is wat betreft verloop en klimlading verwant aan de Duivelsberg over de Oude Kleefsebaan. Het prachtige uitzicht na de afslag naar de Reichswaldstrasse heeft daarentegen meer weg van dat van de Hogeklef over de Derdebaan.
De Heyberg kun je over twee parallele wegen benaderen, die beide Rosentalweg heten. De zuidelijke daarvan voelt als een lichtere versie van de Heyberg bij Schottheide en lijkt qua profiel op de Vlierenberg over de Zevenheuvelenweg, de noordelijke is hoger en minder steil. Net zoals de Hufschenberg voeren deze beklimmingen door idyllisch akkerareaal.
★ Plaats: Labbeck
★ Straten: Rosentalweg
★ Maten: 18 H – 300 m – 240 ZWI
★ Stijgingen: 5 – 6 – 7 %
Auf dem Berg
De Labbecker Strasse vormt de middelste van de drie doorgaande wegen over de Sonsbecker stuwwal en verbindt de plaatsen Uedemerbruch en Labbeck, met na de top een aftakking over de Steinhügel en Balberg naar de plaats Sonsbeck. De lange beklimming door het bos wordt nergens echt steil en laat zich het beste vergelijken met de Lage Hoenderberg vanuit Malden.
Nieuw aangelegd fietspad door het Uedemer Hochwald als vervolg op de tot aan Uedemerbruch geasfalteerde oude spoorlijn tussen het Nederlandse Boxtel en het Duitse Wesel, het zogeheten Duits lijntje of Boxteler Bahn. De beklimming loopt aanvankelijk licht omhoog, maar eindigt tamelijk steil rond de kam van de stuwwal. Verderop kun je weer verder over de spoordijk.
De Marienbaumer Strasse tussen Marienbaum en Uedem loopt enigszins geïsoleerd over de enige geasfalteerde heuvel in het Uedemer Hochwald, dat wemelt van de pre-historische grafheuvels en Romeinse oefenkampen. De parochie van de bedevaartsplaats Marienbaum is afgescheiden van parochie Vynen, die op haar beurt weer een afsplitsing is van de Xantener parochie.
Een beklimming in drie trappen evenwijdig aan de spoordam. Op de top vind je de Villa Reichswald, ooit aangelegd als rusthuis voor spoorwerkers, waarna je via het aangelegde fietspad met de afdaling van de Hauberg uitkomt bij Uedemerbruch, waar ook een voormalige halte lag. Halverwege kun je linksaf na het voormalige station Labbeck de Stielenberg aansnijden.
Eenhoog, trainen met kunstmatige klimtelligentie, vormt een logische aanvulling op de reeds toegepaste kunstgrepen, zoals ‘klimkrachtstroom’ door een kunstmatig verhoogde ‘klimspanningsbodem’. Hierbij klim je staand op het buitenblad op klimstroken met een stijging van 3 % tot 6 % en nu ook zittend op het buitenblad, bij stijgingen van 7 % en 8 %, als toevoeging aan Volverde-training, waarin ook al korte (gedraaide) klimringen als alpering en uflacht worden toegepast. Ook het upbergen met een hoogmakerij of glooipolder is van nature gekunsteld. Daarnaast train ik met kunstlicht in het avondslot.
Lees verder (3)
Heen-en-weer
Tijdens het woon-werkverkeer is er tweemaal per week sprake van een basistraining op de klimroute Heen-en-weer (GB) tussen Groesbeek en Nijmegen, aangevuld met eenmaal per week de klimroute Heen-en-weer (PB) tussen Prinsenbeek en Breda. Deze klimroutes worden regelmatig afgewerkt met een rugbepakking van tien kilogram. Hiervoor wordt dan een correctiefactor van 1,25 toegepast op de gerealiseerde klimarbeid Volverde (VLV). De opslag bestaat uit de optelsom van de toegenomen hellingbelasting (10 %), luchtweerstand (5 %), draaglast (5 %) en motorische beperkingen (5 %) en is niet exact.
Trainingsgraad
Onverkort geldt de wekelijkse klimarbeid (WKA) gemeten in Volverde (VLV) als maat voor training en het zesweeks lopend gemiddelde daarvan als beschrijving van de trainingsgraad (TRG). De vraag is of de gewenste gemiddelde traininggraad (TRG) van 4,5 over een jaar gemeten ook gerealiseerd kan worden in een omgeving met weinig natuurlijk hoogteverschil (H) door toepassing van kunstmatige klimtelligentie, ofwel het slim gebruik maken van aanwezige kunstmatige klimunits. Aanvullende dagelijkse push-ups en sit-ups blijven in het programma, waarin geen deelname aan wedstrijden is opgenomen.
Formules
★ VLV = 0,25 * Σ L3-6% + 0,65 * Σ L7-8%
★ VFI = VLV / H
★ WKA = Σ {VLVma, VLVdi, … , VLVzo} / 1000
★ TRG = µ {WKA-5, WKA-4, … ,WKA}
★ ALP = VLV / L * 1000
★ ZWI = 220 * H² / L
Klimroute Heen-en-weer (PB)
Klimroute Heen-en-weer (GB)
Uflacht Overbos (PB)
Ubergen en Oberg (PB)
Alpering Kerkklef (GB)
Eenhoog
Pirinsbeek
Vanuit de eenhoog-principes, dat in het land der grinden eenhoog koning is en dat je altijd in de heuvels traint, ook als ze er niet zijn, volgt dat het toch aanwezige, veelal kunstmatige, hoogteverschil (H) tussen Breda en Prinsenbeek gevat wordt in de hoogmakerij Pirinsbeek. Hiervoor worden de klimstroken bij een stijging van minimaal 3 % voortaan opgemeten met een minimaal hoogteverschil (H) van twee meter in plaats van drie meter. Vier vijfde van de klimstroken (H3-8%) in hoogmakerij Pirinsbeek blijkt geschikt om te trainen met klimarbeid Volverde (VLV), waarvan de lengte (L) wordt gemeten per tien meter.
Lees verder (3)
U- en Oberg
Noodzakelijke aanvullingen op de korte (gedraaide) klimringen als alpering en uflacht zijn de uberg, een klimstrook, meestal een beklimming (b), met een u-turn of keerlus aan het uiteinde en de oberg waarbij je afdaalt via een andere klimstrook en weer onderaan aansluit. Hiervoor geldt hoe langer de beklimming (b), des te groter de effectiviteit, omdat het keren veelal op groubaix of een platbodem geschiedt, waardoor de te behalen klimarbeid Volverde (VLV) en daarmee de klimstroom Alpere (ALP) kort wordt onderbroken. In Groesbeek (GB) train ik ter controle op een alpering met een klimsterkte van 100 ALP.
Conclusie
De klimringen alpere, uflacht, uberg en oberg maken gemiddeld tweemaal beter gebruik van het aanwezige hoogteverschil (H), dan de woon-werk klimroutes, die op een gemiddelde Volverde-efficiëntie (VFI) van 4 blijven steken, terwijl de specifieke klimringen 8 VFI halen. Hierbij is geen verschil gevonden tussen de hoogmakerij Nimmalaya met vooral natuurlijke klimunits en hoogmakerij Pirinsbeek, die voornamelijk kunstmatige klimunits bevat, wat de conclusie rechtvaardigt deze laatste, zonder natuurlijk hoogteverschil (H), als surrogaat kan functioneren bij het realiseren van een trainingsgraad (TRG) van 4,5.
Klimringen
★ Alpering = (op b1, op b2, op b3, …)
★ Uflacht = (op b1, af b2, op b3, af b2) + (op b1, af b2, op b3, af b1) + 2 * (op b2, af b3)
★ Uberg = (op b1, af b2, op b2, af b1) of (op b1, af b1)
★ Oberg = (op b1, af b2)
Uflacht Overbos (b1) en Uberg Overbospad (b1) (PB)
Uflacht Overbos (b2) (PB)
Uflacht Overbos (b3) en Uberg Overbospad (b2) (PB)
De kern van de middeleeuwse stad Zevenbergen is gebaseerd op een zuidoost-noordwest lopende dekzandrug (B53) in het veen- en zeekleigebied (±0 NAP) van nu Noord-Brabant. Haaks op de dekzandrug (±5 NAP) is vanaf de rivier de Mark een insteekhaven aangelegd, die als tweede as, tussen opgehoogde dekzandwelvingen (B54), reeds voor herinpoldering rond dit tijdelijke eiland, noordoostwaarts als vaart lijkt doorgegraven. De smalstad heeft het historische grondplan behouden en is tot aan de 20e eeuw amper uitgebreid.
Vanaf 1287 wordt er gesproken over een heer van ‘Sevenberghe’. Vanuit deze heerlijkheid verwerft de nederzetting op zijn laatst in 1396 stadsrechten en behangt haar stukken met een zegel met: zeven bergen. In 1654 stelt een nader gereformeerde auteur echter dat hier geen sprake kan zijn van zeven hoogten, gelijk Rome. Een taalkundige rekent Zevenbergen in 1890 weer wel tot de telwoordtoponiemen, waarna aan zeven hoogten in de omgeving (1937) of aan een onbepaald aantal in de stadskern (2007 en ‘09) wordt gedacht.
Met een 5 kilometer lange fietsroute zijn in het stadshart van Zevenbergen bij nader inzien zeven verdedigbare hoogten in het landschap te ontcijferen, waarbij in totaal 30 meter aan hoogteverschil wordt overbrugd, gemiddeld 4 meter per helling. Deze middeleeuwse stad is net als het klassieke Rome gebouwd op zeven heuvels, met als verschil dat de eerste een heerlijkheid en de laatste een wereldrijk vertegenwoordigde. Tevens staan zes van de zeven oroniemen niet vast, of zijn op de Molenberg na, (nog) onvoldoende aangehaald.
Zyfflich
Het middeleeuwse dorp Zyfflich is net als het nabije Persingen in de provincie Gelderland gebouwd op een west-oost lopend rivierduin (B57) in het rivierkleigebied (±10 NAP) van Nordrhein-Westfalen. Het westelijke gedeelte van dit rivierduin (±15 NAP) is in de vroege middeleeuwen door het Wylermeer afgescheiden, waardoor een klein deel aan de overkant, nu boven Beek in de provincie Gelderland ligt. De nederzetting, die reeds rond 1020 lijkt te zijn gestart als kloosterkern, heeft pas na 1820 de vorm van een lintdorp gekregen.
In de 11e eeuw wordt het goed ‘Sefluche’ vermeld met later het St. Martinstift, dat in 1117 de bisschopshof behoudt bij het broek Germenseel met de Wittendonk. In 1297 blijven deze gronden en de halve Zyfflicherbusch bij uitruil met de Kleefse graaf en tevens voogd behouden. De andere helft splitst zich af met de stad (±1290) en ook rijksleen (±1300) geworden aanspraak Kranenburg, dat in 1436 het stiftskapittel afsnoept, waarna de kerk van Zyfflich verkleind wordt. In 1963 verliest het dorp grond aan Nederland.
Voor zover bekend houdt de plaatsnaam geen verband met zeven. Dezelfde taalkundige als bij het beschreven toponiem Zevenbergen rekent Zyfflich in 1890 derhalve tot de groep die ‘sijpelen’ voorstelt, vergelijkbaar met Siepscheklef, en niet tot de telwoordtoponiemen. De kadasterkaart van 1835 telt echter zeven oroniemen. Drie bevinden zich op het rivierduin, drie komen niet in de buurt en een komt half overeen. Anderzijds telt dit ‘siephtimontium’ wel degelijk zeven +14 NAP rivierduinhoogten, die met een fietsroute verbonden zijn.
De Zevenbergen
In het natuurgebied ‘De Zevenbergen’ zijn 4000 jaar geleden grafheuvel(s) aangelegd op een noordoost-zuidwest lopend landduin (L54) in het rivierterrasgebied (±10 NAP) van nu Limburg. Dit landduin Sevenberg (x3) (±15 NAP) lag, voor de ontginning, samen met het bijna verdwenen Heibergske (x1) en De Clef (x2), temidden van kwelmoerassen als de Grote en Kleine Siep, die zijn afgegraven tot de Mookerplas, dwars op de dalvlakteterrassen (E44), van de al vroeg bewoonde, maar pas in 1326 genoemde nederzetting Middelaar.
De vier nu opgeplagde +12 NAP dalvlakteterrassen (E44) van Middelaar zijn Katerberg (3), Tolsberg (4), Het Eend (6) en De Geist (7). In de fietsroute over de zeven moerasbergen of siepsekleffen rondom ‘De Zevenbergen’ zijn de twee (deels) afgegraven landduinen (L54) De Clef (x2) en Sevenberg (x3) vervangen door landduin (L54) Riethorst (1) en dekzandwelving (L51) N.N. (2) buiten de fictieve omwalling. Een opmerkelijk detail is dat de Sevenberg (x3) op dezelfde breuklijn ligt als het Zevendal en dat ook Siebengewald op een breuklijn ligt.
Ingevolge het upbergkabinet kunnen de gevonden hoogteverschillen (H) op het asfalt van de dekzandrug (B53) en dekzandwelvingen (B54) van stad Zevenbergen, die op het rivierduin (B57) van Zyfflich (Donsrug) en tevens die op de dekzandwelvingen (L51) en landduinen (L54) van De Zevenbergen (Afferdennen) onder klimunit 3.1 Duin worden geschaard. De hoogteverschillen (H) op het asfalt van de dalvlakteterrassen (E44) van De Zevenbergen vallen onder klimunit 1.1 Terras. De gesplitste klimringen (fietsroutes) van stad Zevenbergen (30 H en 5 LKm) en Zyfflich (70 H en 14 LKm) vallen met een stijging (%) van 0,60 % en 0,50 % in kleurcode E-grijs, terwijl de klimring (fietsroute) van De Zevenbergen (50 H en 7 LKm) met een stijging (%) van 0,71 % zorgt voor kleurcode D-groen.
Lees verder (1)
Begrippen
Afferdennen: Hoogmakerij, samentrekking van Afferden en Ardennen. Asfalt: Generieke benaming voor alle soorten verharde weg. D-groen (D): Kleurcode voor de een-na-laagste moeilijkheidsgraad. Donsrug: Hoogmakerij, samentrekking van Donsbrüggen en Hondsrug. Duin (3.1): Natuurlijke klimunit, landschapsvorm door sedimentatie. E-grijs (E): Kleurcode voor de laagste moeilijkheidsgraad. Hoogmakerij: Verzameling passende klimunits, klimstroken en klimringen. Hoogteverschil (H) Verschil in hoogte tussen twee punten in gehele meters. Kleurcode: Schaal voor moeilijkheidsgraad, van E-grijs naar A-rood. Klimring: Optimaal gesplitst hoogteverschil in een circulair traject. Klimsplitsing: Isoleren van hoogteverschil in klimstroken of klimringen. Klimunit : Categorie hoogte in het landschap, ingedeeld naar ontstaanswijze. Lengte (LKm): Lengte van een klimring of -route in kilometers afgelegde weg. Stijging (%): Hoogteverschil in meter of percentage per hectometer afgelegde weg. Terras (1.1): Natuurlijke klimunit landschapsvorm door tektoniek. Upbergkabinet: Verzameling van aanwezige natuurlijke en kunstmatige klimunits.
De in de nazomer van 2025 gepresenteerde muntvondsten uit het Merovingische grafveld bij de Dukenburgsebrug in Nijmegen zijn bijzonder, en niet alleen omdat ze het aantal in de gemeente gevonden vroeg- en vol-middeleeuwse munten hiermee minimaal verhogen van 90 naar 97, maar vooral door meer dan een verdubbeling in het aantal gouden munten, dit gaat van 3 naar 7. Daarnaast zal het aantal vroeg-middeleeuwse munten worden uitgebreid van 21 naar 27 exemplaren. Deze vondst onder de oude voetbalvelden van SV Hatert in het voorland van de Muntheuvel vormt de aftrap om een muntbeeld van Nijmegen (450-1200) te schetsen via de opgestelde database.1
Muntheuvels
Jansberg – Sceatta (600-750)
Klokkenberg – Sceatta (600-750)
Gruitberg – Sceatta 2x (600-750)
Hofberg – Denarius 3x (750-900)
Grote Kop – Denarius 2x (750-900)
Hoedberg – Penning (900-1050)
Hundisberg – Penning (1050-1200)
Anglo-Fries of Frankisch?
De centrale zilveren munt op de persfoto vertoont kenmerken van een Merovingische denier, wat het Frankische element in de Nijmeegse vondsten versterkt, naast de recente Karolingische schatvondst bij De Oversteek. De twee andere zilveren munten laten zich interpreteren als deniers dan wel Anglo-Friese sceatta’s, consistent met vondsten uit de “gefrankeerde” muntheuvels in het stadscentrum. Hoewel de drie (en recent een vierde) gouden munten visueel het meest opvallen, levert Nijmegen-Noord kwantitatief de grootste bijdrage aan het overzicht van vroeg- en vol-middeleeuwse munten binnen de gemeente.
In twaalf jaar (2009-2021) rijd ik 328 wedstrijden, gemiddeld 27 per jaar, behaal vijfmaal het podium in een regionaal klassement (K) en vijftien overwinningen (x) in trimmers- en interclubkoersen, waarvan pakweg de helft met Zwitsalp-training (2011-2016) en de andere helft met Volverde-training (2018-2021). Uit nieuwsgierigheid rijd ik een zestal deels gemixte criteriums bij de elite, het hoogste amateurniveau, waaronder een klimcriterium en neem viermaal deel aan nationale kampioenschappen bij de vrije bond. Over de seizoenen 2009-2021 bedraagt het gemiddelde wedstrijdcijfer (WCF) 5,7.
Voor mij begon sporten met voetbal, in de F-jes bij een club zonder selectie, gelovend in het collectief. Mijn volgende club deed aan talententraining en sidegames, zoals 4 tegen 4. Hier mocht ik meedoen aan het TV-programma De bal is rond. Ze speelden daar ook cricket. Ik werd Nederlands kampioen 2 tegen 2, onder de coach die met Nieuw Zeeland in het jaar 2000 wereldkampioen zou worden. Ook bij de junioren, waar ik derde divisie landelijk voetbalde, leerde ik dat reizen hoort bij sport op enig niveau. Een spuit bij blessures is mij altijd afgeraden.
Coachen en cardio
Na een aaneengeschroefde enkel maakte ik rond mijn twintigste wel kennis met cardio- en intervaltraining op apparaten. Ook het trainen en coachen van lagere seniorenelftallen passeerde de revue. Hier zag ik spelers, waarbij elk ‘talent’ ontbrak, uitermate gemotiveerd om te winnen, ongeacht het niveau. Hiervan leerde ik dat een prestatie neerzetten en de competitie aangaan twee aparte dimensies in het grillige motivatiespectrum zijn. Na nog twee korte periodes selectievoetbal stopte ik definitief en bond recreatief de skeelers onder.
Wielrennen en heuvels
Bij het zoeken naar een woning belandde ik met een tweedehands racefiets in de Groesbeekse heuvels. Ik vond de Zevenheuvelenweg wat kort, ging op avontuur -er zijn er vast meer- en eindigde met 9000 hoogtemeters in de Nimmalaya. Vanaf mijn dertigste ging ik ook wedstrijden rijden met een licentie van de vrije bond en haalde, vooral door stabiele deelname, vijfmaal het podium in regionale klassementen en nam viermaal deel aan nationale kampioenschappen van de vrije bond. Na mijn veertigste fiets ik bewust trainingswedstrijden.