https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31817236
Inleiding
Dit artikel gebruikt losse muntvondsten als belangrijke, maar imperfecte indicator van economische activiteit. Het relativeert het traditionele beeld van Nijmegen en Dorestad als monumentale Karolingische machtscentra. In plaats daarvan worden beide locaties opgevat als flexibele, strategische knooppunten in een mobiel riviernetwerk. Het werk breekt mythen niet af, maar nuanceert ze constructief. Het erkent de reële betekenis van beide plaatsen en plaatst de Karolingische periode in een realistischer, pragmatischer licht. Karel de Grote verschijnt hier niet als bouwer van grootse paleizen, maar als een berekenende bestuurder – Carolus Mediocris.
Lees verder (1)
Uitgangspunten
Dit artikel is opgebouwd rond de volgende premissen:
- Data:
Losse muntvondsten uit de NUMIS-database vormen een waardevolle, zij het imperfecte, proxy voor economische activiteit en muntcirculatie in de periode 450–1200 n. Chr. (Duchateau, 2026a–2026d). - Nijmegen:
Het vlakke patroon van 97 losse munten en de bescheiden archeologische resten op het Valkhof tonen geen duidelijke Karolingische piek, in tegenstelling tot het dominante Keizerstad-narratief. - Dorestad:
Dorestad bereikt zijn hoogtepunt in de Merovingische periode (600–750 n. Chr.). In de Karolingische periode (750–900 n. Chr.) vindt er geen bloei plaats, maar stagnatie, gevolgd door sterke terugval na 900 n. Chr. - Machtsstructuur:
Karolingische macht is primair mobiel en netwerkgericht. Het Valkhof fungeert waarschijnlijk meer als strategisch “balkon” aan de noordzijde van de Rijn-Rhône-as, dan als monumentale vaste residentie. - Mystificatie:
Negentiende- en twintigste-eeuwse nationale-romantische verhalen hebben een beeld van grandeur gecreëerd dat de bescheiden materiële realiteit overschrijdt. - Carolus Mediocris:
Karel de Grote is een pragmatische bestuurder die voldoende heeft aan functionele, flexibele locaties binnen een mobiel machtssysteem (“Carolus Mediocris”). - Academische hygiëne:
Dit artikel kan het beste gelezen worden in combinatie met recente wetenschappelijke literatuur. Delahaye (1958) heeft gelijk in zijn kritische observatie dat het Keizerstad-narratief zwak onderbouwd is, ook al is zijn specifieke hypothese over Noyon niet algemeen aanvaard. - Empirische erkenning:
De belangrijke opgravingen en vondsten in Dorestad en Nijmegen worden niet ontkend. Beide locaties zijn significant, maar op een andere, meer fluïde en praktische manier dan traditioneel wordt voorgesteld. - Ideologische neutraliteit:
Zowel historische als hedendaagse beschrijvingen van Karel de Grote en de Karolingische periode zijn niet waardenvrij (nationale romantiek, Europese identiteitspolitiek, etc.). - AI-bijdrage:
Kunstmatige intelligentie (Grok, xAI) speelt een ondersteunende rol bij data-analyse, statistische verwerking, structurering en taalredactie. De auteur heeft alle output kritisch beoordeeld en draagt volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud.
De Keizerstad-mythe
Nijmegen profileert zich al generaties lang als trotse Keizerstad (Delahaye, 1958). Het Valkhof staat bekend als indrukwekkende Karolingische residentie, waar Karel de Grote Paasfeesten vierde met uitzicht over de Waal. De archeologie vertelt echter een ander verhaal: mogelijk hergebruikte Romeinse fundamenten, bescheiden muurwerk, enig aardewerk en één kapiteel (Theuws & den Braven, 2025). Eerder bouwhistorisch onderzoek aan de Barbarossaruïne (St. Maartenskapel) suggereert muurwerk uit circa 775–800 n. Chr. Metselverbanden en profileringen zouden kunnen wijzen op een bescheiden troonzaal (Hundertmark, 2019). Deze resten zijn echter beperkt en kunnen ook duiden op later hergebruik van Romeinse restanten, bijvoorbeeld in Ottoonse, Salische of Staufische tijd. Directe archeologische aanwijzingen voor een groot Karolingisch complex ontbreken, waardoor het raadsel nog niet is opgelost.
Lees verder (2)
Het Nijmeegse muntbeeld
Een aanvullende manier om hiernaar te kijken is het vaststellen van de in Nijmegen gevonden munten uit de vroege en volle middeleeuwen (450–1200 n. Chr.). Voor dit doel is een dataset samengesteld, die 97 reeds gedocumenteerde losse munten bevat (Duchateau, 2026a). Schatvondsten zijn hierin niet meegenomen, omdat deze minder zeggen over muntcirculatie. De munten kennen een opvallend gelijkmatige chronologische spreiding, zonder duidelijke pieken in een van de vijf perioden van 150 jaar (Duchateau, 2026b; Figuur 2). Gezien de culturele en economische opleving tijdens de Karolingische renaissance (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008) zou men bij een intensief gebruikt koninklijk centrum op het Valkhof juist een duidelijke toename in Nijmeegse muntvondsten verwachten vanaf de periode 750–900 n. Chr.
De Valkhof-paradox
De Valkhof-paradox ontstaat door het enorme verschil tussen de historische vermeldingen en de materiële resten en nodigt uit tot een cognitieve herwaardering (Duchateau, 2026c). De Karolingers kennen een bedrijfsvoering waarin vastgoed ondergeschikt blijft aan mobiele netwerken (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008). Een andere oorzaak van de Valkhof- paradox kan de volgende tweedeling zijn: centraal regeren, maar lokaal besturen, waarbij wetten en verordeningen centraal worden opgesteld, maar lokaal worden uitgevoerd. In dit systeem bezorgen koninklijke boodschappers de regelgeving aan de graven, die deze vervolgens op maat maken voor hun gebied. Zo ontstaat in de teksten een beeld van sterke centrale (papieren) macht, terwijl de (materiële) werkelijkheid ter plaatse vaak bescheiden en praktisch blijft (Costambeys et al., 2011; McKitterick, 2008; Wickham, 2005). Ter controle onderhouden de Karolingen een mobiele hofhouding en reizen in persoon naar de verschillende locaties. Nijmegen fungeert dan niet als vaste residentie, maar als strategische pleisterplaats in een netwerk van koninklijke bestuursrelaties (Wickham, 2005).
Balkon Belvédère
De Rijn-Rhône-as
Deze beschreven netwerkstrategie komt het duidelijkst tot uiting op de Rijn-Rhône-as: een vitale noord-zuidverbinding van de Noordzee via de Rijn-vallei naar de Rhône-vallei en de Middellandse Zee. Goederen en mensen bewegen in beide richtingen. Macht ligt in het controleren van handelsstromen en dat gebeurt niet enkel vanachter een centrale schrijftafel. De hoogte van het Valkhof vormt een van de laatste noordelijke punten van Rijn-Rhône-as met aaneengesloten vaste grond onder de voeten (Cohen et al., 2009; Van Dinter et al., 2017; Wageningen Environmental Research, 2023). Aangezien meerdere kleine knooppunten meer flexibiliteit bieden dan enkele grote residenties op afstand (Loveluck, 2013; Theuws, 2026; Wickham, 2005), lijkt het Valkhof bedoeld als springplank richting de handelsstromen van de Rijn-Maas-delta.
Lees verder (1)
Emporia en handel
Op de kruising tussen Frankische, Angelsaksische en Deense invloedssferen is in de Rijn-Maas-delta het emporium Dorestad opgekomen (Loveluck, 2013; Theuws, 2019, 2026). De handel van Dorestad berust op drie arbeidsintensieve bewerkingen (Tabel 1). Ruwe wol uit de Britse eilanden wordt ter plaatse gewassen, gesponnen en geweven, waarna de stoffen worden uitgevoerd naar zowel Jutland als het Rijnland. Ruwe amber en been uit Jutland worden verwerkt tot kralen en kammen en uitgevoerd naar de Britse eilanden en het Rijnland. Wijn uit het Rijnland wordt vrijwel uitsluitend overgeslagen naar dezelfde twee importeurs (Van Es & Verwers, 1980; Willemsen, 2009). De toegevoegde waarde van Dorestad beperkt zich daarmee tot het wassen, spinnen en weven van wol, het snijden, boren en rijgen van amber en been, en het sjouwen van wijn.
Balkon St. Nicolaaskapel
De Rijn-Maas-delta
Uit de analyse van losse munten uit NUMIS blijkt dat al deze economische activiteit van Dorestad tijdens de Karolingische periode (750–900 n. Chr.) vooral ten koste gaat van het emporium Domburg (kustcluster), terwijl Westergo en Oostergo (wadcluster) relatief sterk blijven (De Nederlandsche Bank, n.d.; Duchateau, 2026d; Figuren 1–3, Bijlage A). Het relatief egale muntpatroon binnen de Rijn-Maas-delta (riviercluster) suggereert dat de resterende handelsactiviteit van het noordwestelijke waterkwartier (Dorestad) vanaf de Ottoonse periode (900–1050 n. Chr.) wordt overgenomen door de drie andere waterkwartieren: Zaltbommel (Waal, zuidwesten), Deventer (IJssel, noordoosten) en Tiel (Waal, zuidoosten) (Bijsterveld & Theuws, 2012; Kosian, 2015; Oudhof et al., 2013; Van Benthem, 2020; Figuur 4). Wijk bij Duurstede kent een groot aantal losse muntvondsten uit de periode 750–900 n. Chr. en veel restanten van adaptieve houtbouw, maar net als in Nijmegen, ontbreken ook hier de resten van duurzame stenen constructies (Bradtmöller et al., 2017; De Nederlandsche Bank, n.d.; Van Es & Verwers, 1980; Figuur 2). Opvallend is verder dat het wadcluster in de post-Romeinse periode (450–600 n. Chr.) relatief veel munten laat zien, terwijl het riviercluster van de Rijn-Maas-delta pas vanaf de Ottoonse, Salische en Staufische tijdvakken (900–1200 n. Chr.) definitief de monetaire leiding neemt, alhoewel de volumes eerst halveren en daarna langzaam terugveren, maar tot 1200 n. Chr. niet meer op het niveau komen van de ogenschijnlijke bloeiperiode van 600–750 n. Chr. (De Nederlandsche Bank, n.d.; Duchateau, 2026d; Figuren 3–4, Bijlage A).
Lees verder (1)
Carolus Mediocris
Zowel in Nijmegen als in Wijk bij Duurstede vullen historische verhalen aan wat de bodemschatten niet kunnen bieden of tegenspreken. Gorissen (1956) versterkt het beeld van Nijmegen als een continue keizerlijke residentie, terwijl Delahaye (1958) betoogt dat veel vermeldingen van Noviomagus eigenlijk naar het Franse Noyon verwijzen, waardoor het narratief zuidwaarts verschuift. Anderen verklaren de bescheiden archeologie van beide plaatsen juist vanuit het nomadische beheersmodel van de Karolingen (Wickham, 2005). De monetaire geschiedenis laat zich in dit kader beter begrijpen als het resultaat van een berekenende reorganisatie dan als een baanbrekende Karolingische renaissance. In dit licht verdient Karel de Grote de typering Carolus Mediocris, ofwel Karel Modaal, de man die op het oog voldoende heeft aan een stevig balkon boven het waterkwartier. Deze gedachtegang is trouwens helemaal niet zo vreemd als deze op het eerste gezicht lijkt, wanneer men zich bedenkt dat Karel de Grote uiteindelijk niet afstamt van een koninklijke, maar van een ambtelijke dynastie.
Referenties
Lees verder (26)
Bijsterveld, A-J. A., & Theuws, F. C. W. J. (2012). Vroege stadswording in Nederland: Een Romeinse erfenis, Karolingische impulsen en een stroomversnelling in de twaalfde eeuw. In E. Taverne, L. de Klerk, B. A. M. Ramakers, & S. Dembski (Eds.), Nederland Stedenland: Continuïteit en Vernieuwing (pp. 91–107). nai010.
Bradtmöller, M., Grimm, S., & Riel-Salvatore, J. (2017). Resilience theory in archaeological practice – An annotated review. Quaternary International, 446, 3–16. https://doi.org/10.1016/j.quaint.2016.10.002
Cohen, K. M., Stouthamer, E., Hoek, W. Z., Berendsen, H. J. A., & Kempen, H. F. J. (2009). Zand in Banen: Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland.
Costambeys, M., Innes, M., & MacLean, S. (2011). The Carolingian world. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511973987
Coupland, S. (2025). Dorestad and the North: Frankish Connections to Scandinavia. In M. Gierszewska-Noszczyńska, O. Grimm & L. Grunwald (Eds.), Frankish Seats of Power and the North: Centres Between Diplomacy and Confrontation, Transfer of Knowledge and Economy (pp. 205–216). Propylaeum. https://doi.org/10.11588/propylaeum.1681.c24454
De Nederlandsche Bank. (n.d.). NUMIS: Numismatisch Informatie Systeem [Database]. Retrieved February 15, 2026, from https://www.dnb.nl/
Delahaye, A. (1958). Het mysterie van de Keizer Karelstad. Winants.
Duchateau, R. J. (2026a). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: The Numismagus Dataset [Dataset]. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31387345
Duchateau, R. J. (2026b). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: Riverine Comparisons in the Rhine–Meuse Delta. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31385311
Duchateau, R. J. (2026c). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: Nuancing the Valkhof Carolingian Palace Hypothesis. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31383100
Duchateau, R. J. (2026d). Nijmegen Coinage 450–1200 CE: A Short Synthesis of Independent Research. https://doi.org/10.6084/m9.figshare.31867651
Gorissen, F. (1956). Stede-atlas van Nijmegen (Werken van Gelre – Vol. 29). Quint & Brouwer.
Hundertmark, H. F. G. (2019). De Valkhofburcht: Bouwhistorische verkenning Barbarossaruïne. Gemeente Nijmegen – Afdeling Stadsontwikkeling.
Kosian, M. (2015). 10. Dorestad’s Rise and Fall: How the Local Landscape Influenced the Growth, Prosperity and Disappearance of an Early-Medieval Emporium. In A. Willemsen & H. Kik (Eds.), New Research into Early-Medieval Communities and Identities (pp. 99–104). Brepols. https://doi.org/10.1484/M.STMH-EB.5.109459
Loveluck, C. (2013). Northwest Europe in the Early Middle Ages, c. AD 600–1150: A Comparative Archaeology. Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9781139794725
McKitterick, R. (2008). Charlemagne: The Formation of a European Identity. Cambridge: Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511803314
Oudhof, J. W. M., Verhoeven, A. A. A., Schuuring, I., Scheringa, J., van Kaam, B., & van der Voet, N. (2013). Tiel rond 1000: Analyse van vier opgravingen in de Tielse binnenstad (Themata 6). https://hdl.handle.net/11245/1.473661
Theuws, F. C. W. J. (2019). Reversed Directions: Re-thinking Sceattas in the Netherlands and England. Zeitschrift für Archäologie des Mittelalters, 46, 27–84. https://www.academia.edu/80113126/
Theuws, F. C. W. J., & den Braven, J. A. (2025). How did Aristocrats Live in Merovingian and (Early) Carolingian Times in Northern Gaul? An Archaeological Enigma: With some Remarks on the Royal Seat in Nijmegen. In M. Gierszewska-Noszczyńska, O. Grimm, & L. Grunwald (Eds.), Frankish Seats of Power and the North: Centres Between Diplomacy and Confrontation, Transfer of Knowledge and Economy (pp. 153–182). https://doi.org/10.11588/propylaeum.1681.c24452
Theuws, F. C. W. J. (2026). Reflections on Early Medieval Exchange. In S. Gelichi & M. Ferri (Eds.), Food and S.T.O.N.E.S.: Ships, Trade, Objects, Networks, Economy, Society (pp. 493–510). Venice University Press. https://doi.org/10.30687/979-12-5742-002-4/022
Van Benthem, A. (Ed.). (2020). Terug in de tijd: Een opgraving in het historische centrum van Zaltbommel (ADC Rapport 4999). ADC ArcheoProjecten.
Van Dinter, M., Cohen, K. M., Hoek, W. Z., Stouthamer, E., Jansma, E., & Middelkoop, H. (2017). Late Holocene lowland fluvial archives and geoarchaeology: Utrecht’s case study of Rhine river abandonment under Roman and Medieval settlement. Quaternary Science Reviews, 166, 227–265. https://doi.org/10.1016/j.quascirev.2016.12.003
Van Es, W. A., & Verwers, W. J. H. (1980). Excavations at Dorestad 1: The Harbour: Hoogstraat 1 (Nederlandse Oudheden – Vol. 9). Rijksdienst voor het Oudheidkundig. Bodemonderzoek.
Wageningen Environmental Research. (2023). Geomorfologische kaart van Nederland (v2023-01) [Map]. Basisregistratie Ondergrond (BRO). Retrieved September 1, 2023, from https://www.broloket.nl/
Wickham, C. (2005). Framing the early Middle Ages: Europe and the Mediterranean 400–800. Oxford University Press.
Willemsen, A. (2009). Dorestad: Een wereldstad in de middeleeuwen. Walburg Pers.
Tabel
Lees verder (1)

Figuren
Lees verder (4)
Noot. Figuren 2–4 (Duchateau, 2026a–d) aangepast en aangevuld met de gegevens van Wijk bij Duurstede (De Nederlandsche Bank, n.d.).




Bijlage A
Lees verder (7)
Muntvondsten en Dorestad
De muntvondsten uit de NUMIS-database geven voor de periode 750–900 n. Chr. een genuanceerder beeld dan het traditionele verhaal van Dorestad als bloeiend Karolingisch emporium. Op macroniveau lijkt de verdeling over de drie hydro-clusters relatief evenwichtig (Tabel A1), maar bij nadere analyse maskeert dit evenwicht enkele belangrijke verschuivingen.
Tabel A1. Muntvondsten per hydro-cluster (450–1200 n. Chr.)
| Periode | Kustcluster | Wadcluster | Riviercluster |
|---|---|---|---|
| 450–600 | 4 (6 %) | 41 (63 %) | 26 (31 %) |
| 600–750 | 887 (63 %) | 273 (19 %) | 399 (18 %) |
| 750–900 | 154 (34 %) | 146 (32 %) | 336 (34 %) |
| 900–1050 | 10 (5 %) | 26 (13 %) | 165 (82 %) |
| 1050–1200 | 9 (3 %) | 72 (20 %) | 274 (78 %) |
| Totaal | 1064 (38 %) | 558 (20 %) | 1200 (42 %) |
Noordwestelijke dominantie en Dorestad
In de Karolingische periode (750–900 n. Chr.) domineert het noordwestelijke waterkwartier — waartoe Dorestad (gemeenten Wijk bij Duurstede en Buren) behoort — het riviercluster met 67 % van de losse muntvondsten (Tabel A2). Desondanks laat Dorestad zelf geen groei zien. Het aantal muntvondsten daalt met circa 12 % ten opzichte van de Merovingische periode (van 248 naar 218 munten, Tabel A3).
Tabel A2. Muntvondsten per waterkwartier (450–1200 n. Chr.)
| Periode | Noordwest | Zuidwest | Oostelijk |
|---|---|---|---|
| 450–600 | 8 (31 %) | 3 (12 %) | 15 (57 %) |
| 600–750 | 280 (70 %) | 14 (3 %) | 105 (26 %) |
| 750–900 | 228 (67 %) | 23 (7 %) | 85 (26 %) |
| 900–1050 | 24 (14 %) | 49 (28 %) | 92 (58 %) |
| 1050–1200 | 63 (23 %) | 83 (30 %) | 128 (47 %) |
| Totaal | 603 (50 %) | 172 (14 %) | 425 (35 %) |
Tabel A3. Muntvondsten Dorestad (450–1200 n. Chr.)
| Periode | Wijk bij Duurstde | Buren | Dorestad |
|---|---|---|---|
| 450–600 | 5 (1 %) | 2 (0 %) | 7 (1 %) |
| 600–750 | 135 (25 %) | 113 (21 %) | 248 (46 %) |
| 750–900 | 181 (33 %) | 37 (7 %) | 218 (40 %) |
| 900–1050 | 5 (1 %) | 15 (3 %) | 20 (4 %) |
| 1050–1200 | 9 (2 %) | 39 (7 %) | 48 (9 %) |
| Totaal | 335 (62 %) | 206 (38 %) | 541 (100 %) |
Karolingische stagnatie
De data tonen dat Dorestad reeds in de Merovingische periode (600–750 n. Chr.) zijn hoogtepunt bereikt, gevolgd door Karolingische stagnatie (750–900 n. Chr.) en een sterke terugval daarna. Dit patroon past binnen een breder Merovingisch maximum dat ook elders zichtbaar is, zoals in het kustcluster rond Domburg (791 munten), gevolgd door een scherpe daling. Het wadcluster blijft daarbij relatief stabiel, maar levert met minder dan de helft van het volume een duidelijk bescheidener aandeel. Dit ondersteunt de door Coupland (2025) geschetste Karolingische heroriëntatie naar het noorden, waarmee Dorestad de deur open zet naar zijn eigen ondergang.


